
Ik verzamel stukken in kranten en tijdschriften waarin definitief wordt aangetoond dat Chomsky ongelijk had. Tientallen jaren was de wetenschap ervan overtuigd, zo vertellen die artikelen, dat de theorieën van deze Amerikaanse taalgeleerde (geboren in 1928) juist waren. Maar nu is er onderzoek dat definitief bewijst dat het anders zit.
Spannende verhalen, tot je beseft dat ze zelf al zo’n vijftig jaar in kranten verschijnen: al die tijd wordt er definitief bewezen dat het anders zit, en dan nog is het kennelijk nodig dat iemand anders het weer definitief bewijst.
De nieuwste doorbraak in steeds maar dezelfde richting stond afgelopen week in Nature Human Behaviour. Althans, het artikel zelf zegt nog enigszins onderkoeld ’this poses challenges’, maar de communicatieafdeling van de universiteit (Cornell) van een van de auteurs (Morten H. Christiansen) laat dat allemaal varen in een eigen artikel, bijvoorbeeld in de kop:
Have We Been Wrong About Language for 70 Years? New Study Challenges Long-Held Theory
Chomsky staat bekend om verschillende ideeën over taal, die stuk voor stuk volgens enthousiaste onderzoekers al tientallen keren ‘definitief’ weerlegd zijn. Bekend is bijvoorbeeld zijn idee dat kinderen geboren worden met een speciale antenne voor taal, die enerzijds verklaart hoe kinderen wereldwijd binnen een paar jaar schijnbaar moeiteloos de taal van hun omgeving oppikken en anderzijds waarom talen in een aantal opzichten zo op elkaar lijken.
In het onderhavige artikel gaat het over één zo’n opzicht – Chomsky beschouwt dat zelf de laatste dertig (niet: zeventig) jaar als de belangrijkste, namelijk dat zinnen georganiseerd zijn in woordgroepen, en dat links en rechts er niet toe doet. ‘De vogel zingt’, heeft ongeveer dezelfde structuur:
Vervoegd
{{de, vogel}, zingt}
Waarbij de volgorde er in ons denken niet toe doet. Er is geen echt verschil tussen deze structuur en:
{zingt, {vogel, de}}, {{vogel, de}, zingt}, {zingt, {de, vogel}}
Als we praten zetten we de woorden natuurlijk wel in een bepaalde volgorde, onze tong en lippen kunnen nu eenmaal niet anders dan het ene ná het andere zeggen. Maar zolang een zin in ons hoofd zit, doet vooral die woordgroepenstructuur ertoe, en niet de links-rechtsvolgorde. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop we ja/nee-vragen maken. In veel talen gebeurt dat, zoals in het Nederlands, door het vervoegde werkwoord voorop te plaatsen:
- De vogel zingt
- Zingt de vogel?
Haakjes
Welk werkwoord plaatsen we nu voorop als we een zin hebben met meer dan een vervoegd werkwoord?.
- De vogel die zo mooi zong, is dood.
Geen enkele bekende menselijke taal zet in zo’n geval het eerste vervoegde werkwoord, als je van links naar rechts leest, vooraan:
- Zong de vogel die zo mooi, is dood? [ongrammaticaal]
In plaats daarvan komt het werkwoord uit de hoofdzin vooraan te staan:
- Is de vogel die zo mooi zong, dood?
Dat komt doordat dit werkwoord hetgene is dat in de buitenste haakjes staat, zegt Chomsky; zo reken je kennelijk uit hoe je een vraag maakt van een stellende zin:
- {is, dood, {de, vogel, {die, {zo, mooi}, zong}}} (of: {{{die, {zo, mooi}, zong}, vogel, de}, is, dood}, enz.
In welke volgorde je de onderdelen van de haakjesstructuur ook schrijft, je komt altijd op hetzelfde uit.
Groepje
Het is een vrij simpele bewering, en er zijn ook wel al heel lang bekende problemen mee, structuren in bepaalde menselijke talen waarin misschien links en rechts wel een rol spelen, maar over die problemen vindt dan een wetenschappelijke discussie plaats.
De onderzoekers in het nieuwe artikel nu deden experimenten waarbij ze proefpersonen zinnen lieten horen of lezen en daarbij testen ze hoe snel mensen dat begrepen. (Bij het lezen kun je dat bijvoorbeeld doen door een camera op de computer heel precies te laten vaststellen hoe de ogen over het scherm bewegen, waar ze blijven hangen, waar ze snel overheen springen, enzovoort.)
Wat bleek? Als mensen net eerder een rijtje woorden hadden gelezen die leek op een eerder gelezen rijtje, ging dat sneller. Als je net die heel lekker rook hebt gelezen, lees je die zo mooi zong net wat sneller: in je hoofd zit de vorm die, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord dan kennelijk vooraan. Wat dit nu een probleem voor de opvatting van Chomsky zou maken, is dat dit ook gold voor rijtjes woorden die helemaal geen groepje vormden in de Chomskyaanse zin: wie net ‘lekker rook, heeft’ gehoord heeft vindt in ‘De vogel die zo mooi zong is dood’ ook makkelijker, omdat daar het gelijkende rijtje ‘mooi zong is’ in voorkomt, ook al horen die drie woorden niet bij hetzelfde groepje.
Ondergesneeuwd
Er valt niets af te dingen op die bevinding, en hij lijkt me zelfs heel interessant. Alleen zegt hij niets over de bewering van Chomsky. Het is volkomen duidelijk dat we om een zin te begrijpen gebruik maken van het feit dat de ander eerst het ene woord zegt en daarna het andere. Terwijl die ander dat doet, bouwen de woordgroepen in ons hoofd op, maar in allereerste instantie hebben we niet veel meer dan de woordvolgorde. Niemand zal dat ontkennen.
Omgekeerd wordt uit ‘dit experiment op geen enkele manier duidelijk waarom je dan niet in enige taal vragen als ‘Zong de vogel die zo mooi, is dood?’ kunt maken. Je kunt alleen zeggen dat je een theorie hebt weerlegd als je laat zien dat die theorie een voorspelling doet die niet klopt – dat is nu niet waar, omdat de theorie geen enkele voorspelling doet over het experiment – en als je een plausibele alternatieve verklaring hebt voor het soort feiten waar de theorie wél over gaat.
Het intrigerende deel van de bevindingen van dit artikel dreigt zo ondergesneeuwd te worden onder de wens om voor de honderdste keer een grote revolutie te ontketenen. Die bevinding lijkt mij dat het gaat over woordsoorten en niet (alleen) over individuele woorden. ‘lekker rook heeft’ wordt kennelijk meteen herkend als bijvoeglijk naamwoord – werkwoord – werkwoord, en dat maakt het makkelijker om hetzelfde groepje te herkennen.
Het is geloof ik ook buiten de taalwetenschappelijke wetenschapsjournalistiek wel een topos: de hele wetenschap dacht altijd zus of zo, liefst omdat het was voorgesteld door een bekende persoon, maar nu is definitief aangetoond dat dit niet klopt. Meestal is dat dan onwaar. Dit was helemaal niet precies wat de wetenschap dacht, er was altijd al discussie over, en het is trouwens ook niet weerlegd.
“Het is geloof ik ook buiten de taalwetenschappelijke wetenschapsjournalistiek wel een topos: de hele wetenschap dacht altijd zus of zo, liefst omdat het was voorgesteld door een bekende persoon, maar nu is definitief aangetoond dat dit niet klopt. Meestal is dat dan onwaar.”
-> da’s niet alleen een probleem van de “taalwetenschappelijke wetenschapsjournalistiek”. Ook andere wetenschappen lijden aan het feit dat journalistiek de neiging heeft met “weerleggingen” aan te komen die helemaal geen weerleggingen zijn. Er zijn ontelbare artikelen met in de titel de stelling dat Einstein weerlegd is.
Het blijft dus altijd zus of zo. Dat lees ik in couranten als een beleving van en nooit een feit. Dankzij dit menselijk gedrag kunnen couranten overleven.
Klopt. Ze willen “eyeballs” aantrekken. De titel van Marc van Oostendorps artikel probeert trouwens net hetzelfde.
Peter, dan heb je dus alleen de ‘oordelende waarden overgehouden’ en dat doet iedereen toch? duurzaamheid bestaat niet.
(Die titel is een vertaling van die van het stuk waarnaar ik verwijs; maar inderdaad heb ik de neiging een beetje clickbaiterige titels te verzinnen.)