Taalkunde van 50 jaar geleden

Mooi aan de taalkunde van 50 jaar geleden was dat je in een taalkundig tijdschrift nog uitgebreid een constructie kon uitpluizen, zonder dat je meteen statistiek moest toepassen. De bekende taalkunde P.C. Paardekooper (1920-2013) begon zijn artikel ‘Die soep is me ál te zout‘ in het tijdschrift De Nieuwe Taalgids bijvoorbeeld met de mededeling dat misschien niet alle lezers het met hem eens zouden zijn over zijn grammaticaliteitsoordelen, maar dat hij zich nu eenmaal beperkte tot zijn eigen ‘idiolect’, dat wil zeggen zijn hoogst particuliere taalgevoel.
Dat lijkt mij nog steeds een legitieme methodologie, maar ik heb de indruk dat je er niet meer mee wegkomt. Het is legitiem, want ieder zorgvuldig bestudeerd taalgevoel ís een taalgevoel, een concreet systeem waarmee de eigenaar zich door de publieke ruimte beweegt. Als je al die taalsystemen bij elkaar optelt en daar dan statistiek op doet, krijg je een gemiddelde waarvan het helemaal niet duidelijk is of dat correspondeert met het taalgevoel van enig individu. Maar zelfs degenen die het daar volgens mij nu mee eens zijn, zoeken op internet of in oude kranten, of doen kleine experimentjes met studenten om hun beweringen een solide basis te geven.
ISSSS
Zulke fonteinen van taalobservaties als Paardekooper op zijn beste momenten wist te doen klateren, ontstaan op deze manier alleen nog maar zelden. Overigens ben ik het in het hele artikel eigenlijk steeds met Paardekooper eens.
Het artikel gaat dus over de constructie met te (of gevolgd door genoeg), voorafgegaan door een meewerkend voorwerp, zoals me:
- Die soep is me ál te zout.
- Die soep is me te zout.
- Die soep is me zout genoeg.
Zonder te of genoeg gaat het niet: de zin ‘die soep is me zout’ is in ieder geval ook in mijn idiolect ongrammaticaal (tenzij je een enorme nadruk op is legt: ‘die soep IIISSS me zout!’, maar dat lijkt me een ander soort constructie, of misschien geeft daar die enorme nadruk een graadaanduiding met dezelfde functie als te of genoeg).
Constructie
Vervolgens haalt Paardekooper allerlei andere interessante eigenaardigheden naar boven, zoals dat je deze constructie wel in de stellende of vragende wijs kunt gebruiken, maar niet bijvoorbeeld in de imperatief:
- Hij rijdt me nu hard genoeg.
- Rijdt hij je nu hard genoeg?
- Rijd me hard genoeg! [ongrammaticaal]
- Vooruit, me hard genoeg rijden! [ongrammaticaal]
- Reed je me maar hard genoeg! [ongramaticaal, of in ieder geval vreemd]
Ik heb het nagezocht, maar niet gevonden dat enige taalkundige in de afgelopen vijftig jaar heeft uitgelegd wat de relatie is tussen wijs en de eigenschappen van deze constructie die maakt dat de laatste drie zinnen niet goed klinken. (Ik heb misschien iets over het hoofd gezien, want zulke dingen zijn ook lastig op te zoeken.)
Intrigerend is ook dat je de constructie ook kunt gebruiken in zinnen waar het werkwoord al een ander meewerkend voorwerp heeft:
- Die man vertelt mij die kinderen een beetje ál te griezelige verhalen
- Je geeft mij die kinderen al te veel snoep.
‘Die kinderen’ is in de eerste zin meewerkend voorwerp bij vertellen, en mij is dus een meewerkendvoorwerpachtig ding bij al te griezelig, en in die tweede zin is iets soortgelijks aan dehand. Maar als de tweede meewerkendvoorwerpachtige iets anders is dan me/mij, je/jou of hem/haar, wordt het al snel niet goed:
- Jullie verkopen de baas die klanten al te weinig boeken.
Met wat puzzelen valt de zin wel te begrijpen, maar goed klinken doet hij niet. Ook dit is volgens mij nog altijd een onbegrepen feit. Het is in ieder geval niet omdat ‘de baas’ een van die rollen niet kan spelen, want de volgende zin is dubbelzinnig omdat ‘de baas’ allebei de rollen kan aannemen:
- Jullie verkopen de baas al te weinig boeken.
Het artikel staat nog verder boordevol interessante gedachten, die misschien niet voor iedereen even toegankelijk zijn doordat Paardekooper een heel eigen terminologie ontwikkeld had. Dat is heel jammer: er is zoveel dat je als taalgebruiker wel aanvoelt – deze zin kan wel en die niet – maar waar je je nooit bewust van bent geweest, laat staan dat je begrijpt waarom het zo in elkaar zit.
Het zou goed zijn als iemand een keer het werk van zo iemand als Paardekooper zou didactiseren. Dat klinkt een beetje gek, omdat Paardekooper zelf de schrik was van het grammatica-onderwijs, met name in Vlaanderen en het zuiden van Nederland, waarbij je bijvoorbeeld die lastige terminologie en een geheel eigen grafisch systeem om ontledingen te noteren moest leren. Maar binnenin dat lastige systeem, en Paardekoopers idiosyncrasieën, lag een fontein van almaar voortdurende wonderlijke observaties over onze taal.
“‘die soep IIISSS me zout!’” – lijkt me inderdaad iets anders, ik vulde automatisch aan: “Die soep is me toch een partij zout!” maar hoe je zoiets noemt of classicficeert weet ik in. Over classificeren gesproken, om in de zin “Die man vertelt mij die kinderen een beetje ál te griezelige verhalen” het over twee meewerkende voorwerpen te hebben, geeft aan dat de dativus (voor het Nederlands althans) ook maar een ad hoc verzamelbegrip is voor, zoals we het op de lagere school leerden, alles waar “voor” of “aan” voor kan: want “voor” en “aan” kunnen heel andere dingen beduiden, zoals in de aangehaalde zin: het is “voor de kinderen” en “aan mij” en niet omgekeerd of beiden allebei. Misschien moeten we het meewerkend voorwerp splitsen? In de zin “Jullie verkopen de baas al te weinig boeken.” zie je dat “voor” en “aan” toch heel verschillende dingen zijn, dus waarom zouden we ze dan allebei als meewerkend voorwerp classificeren? Heb dat zin?
Alleen ‘die kinderen’ is mvw (Paardekooper was ook een kei in het hanteren van afko’s); het zinsdeel ‘mij’ hoort bij het performatieve deel van de zin (de parafrase is ‘wat mij betreft’ of ‘volgens mij’) en dan heet dat zinsdeel een bijwoordelijke bepaling. De betekenis is hier niet dat de man iets aan mij vertelt.