
De reislust van Cees Nooteboom (1933-2026) komt al duidelijk naar voren in zijn debuut Philip en de anderen (1955), waarin een jongen liftend door Europa trekt op zoek naar een meisje, dat symbool staat voor het onbereikbare geluk. Dat ongrijpbare zal typerend blijken voor zijn reisverhalen. Hij is voortdurend op plekken die iets vertellen over het verleden, een oude of recente geschiedenis, die niet meer bestaat, geen werkelijkheid meer is. Maar die ter plaatse nog wel leeft. Zeker als je weet wat er zich heeft afgespeeld. Het verleden is voelbaar, hoorbaar, zichtbaar, als je er zoals Nooteboom, een zintuig voor hebt.
In de Nederlandse literatuur werd tot in de jaren tachtig reisliteratuur als een soort zijpad van de literatuur beschouwd, die dichtbij de journalistiek stond. Reizen was een lucratieve manier van schrijven; snoepreisjes maken voor bladen als Avenue en Elsevier. Een gevreesd genre voor schrijvers. Ook Bob den Uyl, wiens reisverhalen zich in vergelijking met wereldreiziger Nooteboom, heel dicht bij huis afspelen, was bang dat zijn verhalen niet als literatuur zouden worden beschouwd. Maar als je kunt schrijven, zijn ook reisverhalen literatuur door de stijl, de diepgang en de thematiek: het onbereikbare.
As die wegdrijft
In 2011 werd de Bob den Uyl Prijs voor ‘het beste journalistieke reisboek’ toegekend aan Cees Nooteboom voor Scheepsjournaal (2010), Een boek van verre reizen. De prijsuitreiking vond plaats in de Geografische boekhandel Pied à Terre in Amsterdam, wat in het geval van Nooteboom een zeer toepasselijke naam was. Essentieel bij de beoordeling van de prijs waren ‘de stijl, de diepgang en de gelaagdheid’, en de ‘driedimensionaliteit van kennis, kijken en een goede pen’. Als jurylid sprak ik na afloop met Nooteboom over Australië, het hoofdstuk ‘Broome 1942’. Ik was zelf in 1979 in dat noordelijk deel van West-Australië geweest. Nooteboom had precies beschreven wat ik destijds in die enorme leegte had gevoeld. Maar het ging Nooteboom ‘ook’ over de geschiedenis die zich daar had afgespeeld. De plek als reisdoel. Daar, waar de DC-3 met in de cockpit luchtridder Ivan Smirnoff, werd aangevallen door drie wendbare Japanse gevechtsvliegtuigen. Smirnoff weet het getroffen toestel nog in de branding bij Carnot Bay te laten landen. Er zijn doden, gewonden, overlevenden. Wat rest er nog op die plek van de werkelijkheid van toen?
Los van de inhoud van Scheepsjournaal sloot het gesprek goed aan op de uitspraak van Den Uyl, dat wij tussen aankomst en vertrek wat onwennig in het landschap rondlopen. In die zin, dat wat voor Den Uyl onwennig was, voor Nooteboom afstand betekende, zoals hij beschrijft in het hoofdstuk ‘Een dood van vuur en water’, als hij in India ronddoolt ‘aan de oevers van de Ganges’: ‘Je kunt ademen, spreken en denken, je lichaam lijkt op alle lichamen die je omringen, maar de afstand is onoverbrugbaar, en als ik dat als een nederlaag voel is dat er niet een van mij, maar van de soort, wij zijn gescheiden door een onverteerbare massa geschiedenis, afkomst, taal, ritueel.’ Die afstand biedt ruimte voor bespiegelingen, contemplatie: het domein van Nooteboom. Zijn aanwezigheid in India betekent vervreemding van een wereld ‘zo oud als Babylon voor Christus’, een ‘verhaalloze vluchtigheid’, te midden van de doden en de mensen om hem heen die door hun geloof en mythe nog wel in de geschiedenis leven. ‘Er zit iets vernederends in de rol van toeschouwer omdat je juist door iets te zien er met zo’n grote kracht van gescheiden wordt.’ Langs de Ganges worden lijken verbrand. Daar is hout voor nodig, dat niet iedereen kan betalen. Nooteboom laat een flinke hoeveelheid hout wegen en betaalt de stapelaar. Door zijn bijdrage aan de lijkverbranding is hij ‘verbonden met alles wat er gebeurt’; hij is geen toeschouwer meer. Het maakt niet uit dat hij niet weet wat er met het hout werkelijk gebeurt. Hij koestert het beeld van de liggende gestalten tussen het hout, de as die wegdrijft in de rivier, ‘die hier al duizenden jaren voorbijtrekt als een trage klok die geen tijd aanwijst, alleen maar het verstrijken ervan’.
Heimwee
Het mooiste hoofdstuk in Scheepsjournaal is ‘Broome 1942’, ‘Een Nederlands oorlogsdrama’. Niet alleen door de geschiedenis, het drama dat verteld wordt, maar ook door de beschrijving van dat deel van Australië, de leegte van dat immense land. Nooteboom weet die leegte in woorden te vangen. De paradox. ‘Het landschap is leeg, maar niet leeg, de stilte is stil, maar niet stil. (…) Ik ben alleen. Er moet overal verborgen leven zijn maar er beweegt niets.’ Geen bomen, geen heuvels, geen vogels. Wel geluiden. ‘Iets zoeft of zucht, ruist of blaast, ik hoor het. En dat andere, dat lichte tikken of kraken? Is daar nog iemand? Zoekt daar iemand die nog kleiner is dan een hand of een nagel zijn weg, verborgen in zijn duizend jaar geleden ontworpen schutkleur, zodat ik hem niet zie?’ Weer die geschiedenis en het besef van zijn tijdelijke aanwezigheid. Ook hier de afstand van de witte man tegenover de myhtische wereld. In dit geval die van de Aboriginals.
De reiziger als buitenstaander, gestuurd door de kaart, plaatsnamen. ‘De volgende ochtend, heel vroeg. Nu echt naar Fitzroy Crossing, doen alsof ik verder zal rijden, misschien naar Darwin.’ Je kunt overal naartoe, als er een weg is. De richting van Nooteboom wordt bepaald door plekken met geschiedenis, hoe groot de verleiding soms ook is om ergens ‘te blijven’. Maar blijven is een illusie, en te zeer een confrontatie met zichzelf en de omgeving, waarin hij niet thuishoort. De vreemdeling die hij is en blijft, reist terug ‘naar zijn eigen wereld met het gevoel te zijn teruggedeinsd voor iets wat machtiger is dan hijzelf, een onmogelijkheid die hij had uitgedaagd en waarvan hij voor de zoveelste keer heeft verloren, heimwee naar een eeuwige beweging zonder aankomst en vertrek’.
Veel plaatsnamen zijn ‘afgeslagen uitnodigingen om te verdwijnen achter de horizon’, schrijft Nooteboom. En deze uitspraak doet weer denken aan een kwatrijn van Bob den Uyl:
De deur uitgaan, dat is
nooit meer terugkomen.
Vervagen aan de horizon.
Verdampen op zee.

Laat een reactie achter