
Woorden breiden langzaam hun betekenis uit. Soms gaat het met een sprongetje, maar meestal gaat het heel langzaam. Je merkt het alleen op doordat het woordenboek af en toe dingen vastlegt – en dan kun je na een tijdje constateren dat er een nieuw stapje is gezet.
Ik luisterde gisteren bijvoorbeeld naar de podcast Haagse zaken, over de taken en verplichtingen van (nieuwe) ministers. Op ongeveer 24.30 is er sprake van ‘de polder’:
Er worden ook weleens akkoorden met sectoren gesloten, of met de polder, zoals we dat noemen, werkgevers, werknemers.
‘Zoals we dat noemen’ is een aanwijzing dat het hier gaat over een betrekkelijk nieuw gebruik, net zoals het feit dat de term meteen daarna wordt uitgelegd, maar ik vermoed dat veel luisteraars het wel meteen begrijpen. Toch staat het nog niet in Van Dale, in ieder geval niet precies in deze betekenis.
Ironisch
Het poldermodel bestaat natuurlijk al langer. Daar heeft de term polder ooit qua betekenis echt een sprongetje gemaakt. Er zijn weinig bronnen over. Het lijkt mij ontleend aan het idee dat in waterschappen allerlei partijen onderling samenwerkten om samen polders droog te leggen. Politiek bedrijven volgens dat model, met heel veel overleg, is dan het poldermodel.
Volgens Wikipedia zou het Akkoord van Wassenaar uit 1982, waarin werknemers en werkgevers afspraken maakten over loonmatiging, als ‘het begin van de term’ worden gezien, maar gek genoeg is de eerste vindplaats in Delpher in de bedoelde betekenis er een uit 1996 (in 1935 is er al wel sprake van ‘een poldermodel’, maar dan gaat het over zandkruiwagens). In die eerste vindplaats met de nieuwe betekenis gaat het wel over toenmalig minister Wijers (D66) die zich verzette tegen het poldermodel, omdat hij dat te weinig ambitieus vond, en daarom liever een deltamodel had. Die laatste term heeft het niet gered. Ook in een ander citaat uit 1996 kun je echter de indruk krijgen dat Wijers de auteur is van die term poldermodel, en dat hij hem niet positief bedoelde: als een woord voor een veel te stroperige manier van tot besluiten komen voor de dynamische jaren negentig.
De eerste vindplaats van polderen is in 2001, in een stukje in het AD Peter Burger. Dat is weliswaar een taalcolumn, maar hij gaat niet over het woord polderen, en je krijgt de indruk dat de schrijver ervan uitgaat dat mensen wel begrijpen wat hij bedoelt:
Zo polderen we maar weer voort, voor radicale taalpolitieke plannen, in welke richting die ook gaan, is in Nederland geen plaats.
Ook dit heeft dus een betrekkelijk negatieve, of in ieder geval ironische betekenis: geen enkele beslissing nemen ‘in welke richting dan ook’.
Betrokken partijen
Wanneer het zelfstandig naamwoord polder vervolgens ook een verwante betekenis kreeg, vind ik op deze zondagochtend een beetje lastig te vinden. Hoe dan ook hebben de eerste zeven definities van ons woord polder in Van Dale (betaalmuur, sorry) allemaal te maken met ‘door waterscheidingen begrensd stuk land of gebied’. Definitie 8 zegt dat dit metonymisch kan staan voor Nederland en geeft als voorbeelden onder andere polderboeddhisme en polderporno. Definitie 9 gaat in de nieuwe richting:
verkorting van polderpolitiek
• overheidstaken overlaten aan de polder: het overlaten aan de betrokken partijen (bv. werkgevers en werknemers) om tot een oplossing te komen voor overheidstaken, die niet van bovenaf opleggen
ook als eerste lid in samenstellingen als de volgende, waarin het tweede lid een politiek proces of de uitkomst daarvan noemt: polderakkoord, polderbesluit, polderbesluitvorming, polderoverleg
Maar dit is nog niet precies de betekenis van ‘de polder’ zoals in Haagse zaken. Het gaat hier niet om ‘polderpolitiek’, maar om ‘de organisaties die kenmerkenderwijs deelnemen aan de polderpolitiek’. Zoals dus werkgeversorganisaties en vakbonden, de ‘betrokken partijen’ uit de definitie van Van Dale.
Minderheidsregering
Diezelfde net iets andere definitie wordt duidelijk gemaakt in een recent nieuwsbericht van de NOS. De kop daarvan luidt:
Succes minderheidskabinet staat of valt ook met steun van ‘de polder’
In dit geval geven de aanhalingstekens aan dat het om een betrekkelijk nieuw begrip gaat. Je zou hier overigens nog de definitie uit Van Dale kunnen gebruiken: het minderheidskabinet heeft polderpolitiek nodig, maar verderop wordt duidelijk dat ook hier de allernieuwste definitie van het begrip wordt gebruikt. In een toelichtend kadertje staat namelijk:
In Nederland vormen grote belangenorganisaties ‘het maatschappelijk middenveld’, of ‘de polder’. Polderen staat daarbij voor het Nederlandse overlegmodel: werkgevers, vakbonden en overheid zitten met elkaar aan tafel om afspraken te maken. Polderen is daarom belangrijk voor oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken.
De polder is dus nu een synoniem geworden van ‘het maatschappelijk middenveld’. Het is heel lastig om de ontwikkeling van betekenisnuances te onderzoeken, je moet eigenlijk ieder bericht uit de afgelopen decennia nauwkeurig lezen, maar vanwege de aanhalingstekens en het ‘zoals we dat noemen’ houd ik het er maar even op dat het voor de journalisten van dienst nog als nieuw aanvoelt. (Als iemand een ouder voorbeeld kan vinden waarop de betekenis uit Van Dale niet past, en deze nieuwe wel, ben ik heel dankbaar.)
Overigens worden in het NOS-bericht zelf nog een andere belangenorganisatie genoemd, landbouworganisatie LTO Nederland, dus misschien behoort dat ook wel tot de polder. Het is een volkomen logische ontwikkeling, maar hij moest hier toch even gedocumenteerd worden: van een sneer naar de minister, naar een deel van de samenleving waarvan het belangrijk is dat het de minderheidsregering steunt.
Update 10.30. Op BlueSky meldt Frans van Nes dat hij dit gebruik in ieder geval kan traceren tot 2019 (dit artikel in Trouw):de overgang zit een voorzetsel, van ‘overleggen in de polder’ naar ‘overleggen met de polder’.
Misschien moet het woord poldermodel niet direct worden gekoppeld aan de waterschappen, maar aan enkele grootschalige projecten, weliswaar rondom waterwerken en droogleggingen, die in de 19e eeuw in opdracht van de (landelijke) regering zijn uitgevoerd, zoals de drooglegging van de Haarlemmermeer en de aanleg van het Noordzeekanaal. Er was in die projecten een component van werkverschaffing (zie ook Wijers) en de arbeiders die werden betrokken, de dijkwerkers, werden wel polderjongens of poldergasten genoemd. Het ‘poldermodel’ lijkt mij daarom vooral te koppelen aan het samenspel van werkgevers en werknemers, meer dan aan de overlegstructuren van waterschappen, maar voor dat vermoeden heb ik verder geen bewijs.