
Toen ik een tijdje geleden hier schreef dat ik het hoorspel van Het Bureau aan het beluisteren was, verzuchtte ik dat het fijn zou zijn als behalve de dagboeken, de romans, en wat er verder zoal verschenen is, ook het wetenschappelijke werk zou worden heruitgegeven. Iemand wees me er vervolgens op dat het Volkskundig Bulletin, waarvan Voskuil de hoofdredacteur was en waarin hij enkele van zijn artikelen publiceerde, in ieder geval helemaal online staat.
Het artikel dat daarin het meest verweven is met Voskuils fictie is Omzien met weemoed uit 1977. De titel alleen al! Het had bij wijze van spreken ook de titel van een deel van Het Bureau kunnen zijn. De ondertitel is trouwens ‘Van dorsvlegel tot landbouwfilm; verslag van een kettingreactie’, ook niet te versmaden.
Handeling
Het is een artikel dat als we Het Bureau mogen geloven uit nood is ontstaan – er moest een nieuw nummer van het tijdschrift komen, en er was onvoldoende kopij. Het is dan ook een opmerkelijk artikel voor een wetenschappelijk tijdschrift: niet zozeer een verslag van onderzoek, maar eerder van wat de auteur is overkomen als afgeleide van dat onderzoek.
Voskuil had als taak gehad om te onderzoeken wat voor verschillende dorsvlegels er in Nederland gebruikt werden, en hoe de verspreiding van die vlegels was over het land. Gaandeweg ontdekte hij dat om die verspreiding te begrijpen het óók belangrijk was om te weten hoe boeren precies dorsten – wat voor beweging je typisch maakte met die verschillende vlegels. Dat was nooit eerder onderzocht, men had zich altijd beperkt tot het bewaren en beschrijven van die voorwerpen, niet van de handeling die je ermee verrichtte.
Op zeker moment was er een groep mannen die wel wilde voordoen hoe zij vroeger, rond de eeuwwisseling hadden gedorst. Daarop ontstond het idee dat dan te filmen, en vervolgens begon die film een eigen leven te leiden: steeds meer activiteiten rondom dat dorsen in het jaar 1900 moesten ook worden gefilmd, en uiteindelijk werd het een hele film waarin een groepje moderne boeren net deden alsof ze zestig jaar jonger waren. Een film waarvoor de makers enorm hun best moeten doen om alles wat laat-twintigste-eeuws was uit beeld te houden, maar waarin uiteindelijk een van de boeren toch weigerde om zijn moderne hoedje af te doen.
Warme gevoelens
Wanneer de film gemonteerd is, blijkt het het vastleggen van technische details van vlegelbewegingen grotendeels verdrongen door esthetiek en poëzie. De film toont geen harde werkelijkheid, maar een nostalgisch beeld van het verleden, waarin rust, regelmaat en beslotenheid domineren. Voskuil herkent hierin ook zijn eigen jeugdindrukken van Roswinkel: de film weerspiegelt eerder hedendaagse verlangens dan historische realiteit
Dit artikel is, kortom, een voorstudie voor hoe Voskuil dit verhaal doet in Het Bureau, inclusief het einde, waarin een van de deelnemers aan de film zegt:
‘Voskuil, ik heb nooit geweten dat mijn leven zo romantisch is geweest.’ Hij bedoelde dat niet als critiek, maar hij had critiek niet scherper kunnen formuleren.
Het artikel gaat over het maken van een film, maar het had net zo goed kunnen gaan over het schrijven van een roman. Voskuil had in 1977 al Bij nader inzien geschreven, en het (pas na zijn dood uitgegeven) Binnen de huid. Of hij al plannen had over een roman over zijn werk is bij mijn weten onbekend; hij zou er pas ongeveer 15 jaar later aan beginnen. Maar hij denkt in dit artikel duidelijk na over de relatie tussen fictie en werkelijkheid:
In onze zorg om anachronismen te vermijden, hadden we ons vastgeklampt aan de rudimenten uit het verleden die voor verandering gespaard waren gebleven: stukken van een huis, wat gereedschappen en de herinneringen van een aantal mensen aan de manier waarop ze gebruikt waren. Toen we de filmbeelden naderhand op de snijtafel zagen, bleken deze feitelijke gegevens ondergeschikt te zijn geworden en toen uit al die beelden een lopend geheel was opgebouwd, geschikt om te worden vertoond, was dat nog sterker het geval.
De schrijver en de filmmaker maken montages – en de werkelijkheid sneuvelt dan onvermijdelijk. Hoe dicht je ook pretendeert op de feiten te zitten, uiteindelijk moet een en ander geschikt zijn om te worden vertoond. “We zullen ons bewust moeten zijn dat onze herinnering zelf een vervalsing is”, schrijft hij ook nog. En dat iedereen aan de tijd van vijftig jaar geleden, ook al was dat objectief misschien een ellendige tijd, ellendiger dan het heden, denkt met warme gevoelens, en die warme gevoelens dan weerspiegeld wil zien in zijn representatie.
Vormgeven
Dat zijn allemaal waarschuwingen aan de volkskundige: er valt aan nostalgie niet te ontkomen. Het werpt ook een nog niet veel besproken licht op Het Bureau, dat soms als een afrekening wordt gezien, maar natuurlijk juist ook nostalgische passages heeft, en bespiegelingen over die nostalgie. De werkelijkheid van vroeger is onherroepelijk weg, en tegelijkertijd maakt ze deel uit van de werkelijkheid nu.
Er is wel gezegd dat Voskuil een volkskundige bleef toen hij zijn romans schreef – iemand die de mens en zijn gewoonten van een afstand bestudeerde – maar in artikelen als Omzien met weemoed blijkt de wetenschapper ook een schrijver te zijn geweest, iemand die nadacht over de werkelijkheid, en hoe die vorm te geven, en hoe het vormgeven van de werkelijkheid zelf ook weer onderdeel was van de werkelijkheid.
Als kunstenaar heb ik ook een werkelijke werkelijkheid: de werkelijkheid sneuvelt dan onvermijdelijk. En dat is Voskuil probleem geweest. Een mens is dubelvoorhoofdtig!
Volgens mij is “Het Nederlands van Hindoestaanse kinderen in Suriname” (Voskuil, 1956) op Neerlandistiek niet genoemd of in elk geval niet besproken. Bij alle aandacht voor de literaire betekenis van J.J.V. misschien goed het taalkundige werkje onder de aandacht te brengen.