
Nu de media dagelijks berichten over bombardementen in het Midden-Oosten, dringt de vraag zich op sinds wanneer wij de woorden bommenwerpen en bommenwerper kennen.
Zo uit de losse pols zou je denken: waarschijnlijk sinds het begin van de twintigste eeuw. Immers, in 1903 maakten de gebroeders Wright hun eerste gemotoriseerde vluchten. En tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden er volop bommen geworpen.
Het leuke van dit soort woordonderzoekjes is dat je intuïtie zelden een goede graadmeter blijkt te zijn. Bij een bommenwerper denken wij nu aan een vliegtuig, maar je kunt bommen natuurlijk ook afschieten. Werpen is zelfs lang gebruikt in de betekenis ‘schieten’. Vandaar deze zin, in de Oprechte Haerlemsche Courant van 10 juni 1688, omgezet in hedendaags Nederlands: ‘Van de 28ste van de vorige maand bericht men uit Marseille, dat twee dagen tevoren acht galeien […] in zee zijn gegaan, evenals verschillende barken of Bomben-werpers, die 14.000 bommen aan boord hadden.’
Context
Het afschieten van dergelijke bomben gebeurde onder meer met een mortier. Omdat niet iedereen vertrouwd was met dit woord, nam Johann Hermann Knoop het in 1758 op in een vermakelijk boekje getiteld Kort onderwys, hoedanig men de couranten best lezen en gebruiken kan. Bij mortier schrijft hij, in een lange lijst met leenwoorden: ‘Een Bomben-werper.’
Ook bombarderen en bombardement zijn leenwoorden – we namen ze halverwege de zeventiende eeuw over uit het Frans. In de eeuwen daarna kwamen ze in vele woordenboeken terecht. Zo voorzag Petrus Weiland bombardement in 1858 van deze definitie:‘Uit het Frans, het bommenwerpen, beschieten van eene plaats’. Bij Bombardier schrijft hij: ‘Een bommenwerper, kanonnier.’
Nou zullen die kanonniers hun projectielen voornamelijk vanaf schepen of vestingwallen hebben afgevuurd, dan wel ergens op het slagveld. Maar je hoefde natuurlijk geen militair te zijn om een bom te kunnen werpen. Sterker: vanaf 1881 kom je het woord bommenwerper het vaakst tegen in een niet-militaire context.
Met de hand
Dat komt door de tragische dood van de Russische tsaar Alexander II. In maart 1881 kwam Alexander, die toen al zes aanslagen had overleefd, om het leven door een bomaanslag in Sint-Petersburg. Die werd uitgevoerd door leden van de revolutionaire groepering Narodnaja Volja (‘Volkswil’). Een eerste bom beschadigde zijn gepantserde koets. De tsaar bleef ongedeerd en stapte uit om naar de gewonde Kozakken en omstanders te kijken. Terwijl hij daar stond, gooide een tweede terrorist een bom direct voor zijn voeten. Enkele uren later overleed Alexander aan zijn verwondingen.
In de decennia daarna vind je geregeld zinnetjes als ‘de Russische bommenwerper’ (in 1892), ‘de vorstenmoordenaar en bommenwerper’ (in 1900) en ‘die bommenwerper met zijn uitgestreken smoel’ (1905) – telkens voor een persoon dus.
Even terug naar het begin van dit stukje: de aanname dat het bommenwerpen door vliegtuigen dateert van kort voor de Eerste Wereldoorlog blijkt zo gek nog niet. Het Militair Tijdschrift maakte in 1913 melding van de opmars van deze nieuwe manier van oorlog voeren, onder de kop: ‘Duitschland: proeven in het bommenwerpen uit vliegtuigen.’ Wel ging dat aanvankelijk nog heel primitief: piloten wierpen die bommen met de hand uit het vliegtuig. Op internet zijn daar veel foto’s van te vinden. En nee, in dit geval zijn die niet deels door AI gegenereerd.
Dit stukje verscheen ook in Argus.
Een scène (I.25) uit Karl Kraus, De laatste dagen der mensheid, vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, De Harmonie 2008, en onsterfelijk gespeeld door ’t Barre Land, wie het gezien heeft zal het zeker nog weten. Het speelt zich af in 1914.
(Een Duitse en een Oostenrijkse soldaat komen op, schouder aan schouder.)
OPPERWACHTMEESTER WAGENKNECHT: Toen zijn we allemaal weer aangetreden en toen zei onze opperbommenwerper: Jonges, als jullie d’r zin in hebben, immer kloek d’rop af.
SERGEANT-MAJOOR SEDLATSCHEK (drukt hem dicht tegen zich aan en kijkt angstig naar hem op): Nee – !
WAGENKNECHT: Sorry, maar je leunt op mijn schouder.
SEDLATSCHEK: O pardong – (Doet een stap opzij.)
WAGENKNECHT: Nah, zo gaat het al weer. Dus moetje je voorstellen, de opperbommenwerper liet het aan ons over –
SEDLATSCHEK: Kijk, een van onze grootste opruimingen – (Wijst naar een etalage.)
WAGENKNECHT: Wat? – ah ja – ik dacht – nou moet je horen – (Hij staat nu heel dicht tegen Sedlatschek aan, die achteruitwankelt.)
SEDLATSCHEK: Au man, je hangt aan m’n schouder!
WAGENKNECHT: Pardonk. Nou moeje horen, de opperbommenwerper –
SEDLATSCHEK: Scuseer dat ik je in de rede val, maar ik snap het niet.
WAGENKNECHT: Nah, wat snap je niet?
SEDLATSCHEK: Noh, scuseer – de opperbommenwerper, zeg je, die dee dat. Maar jullie zijn toch allemaal bommenopperwerpers, wie dee ’t dan?
WAGENKNECHT: Ik begrijp niet wat je d’r aan niet snapt, ik zei toch, let nou beter op – de ópperbommenwerper.
SEDLATSCHEK: Nojah, maar scuseer – jij werpt toch de bommen d’rop en niet d’ronder? Dan ben jij toch ook een opperbommenwerper.
WAGENKNECHT: Hoezo dat, nou moeje ’s luisteren –
SEDLATSCHEK: Ik bedoel – de opperbommenwerper, da’s toch iemand – die de bommen zo’n beetje – nou ja d’r óp werpt, of niet?
WAGENKNECHT: Opwerpt? Wat mag dat dan wezen?
SEDLATSCHEK (maakt het gebaar van werpen): Noh, zie je – snapje – d’rop – van boven – kijk maar – d’rop – op de mensen.
WAGENKNECHT: O ja, nu snap ik het – nei jong, is me dat effe lollig – ik lach me dood – ’t is om je bescheuren zo komisch – nei, zo heb ik ’t niet bedoeld. Daarvoor hebben wij toch de uitdrukking naar beneeje.
SEDLATSCHEK (kijkt hem wezenloos aan): Wat – dus de naarbeneejebommenwerper?
WAGENKNECHT: Ach nee, zuks bestaat niet. Mensenkindertjes, let toch een keertje op. Ik bedoel, ik bedoel, de bommenwerper werpt de bommen naar beneeje. Maar de ópperbommenwerper –
SEDLATSCHEK (staart hem aan): Wat – naar boven?
WAGENKNECHT: Naah, da’s toch de sjef van de bommenwerpers, daarom heet ie toch ook opperbommenwerper – hoe moet ik je dat nou anders duidelijk maken, bijvoorbeeld, ah ja, joed dan, je heb toch ook de opperkelner of de opperluitenant of het opperhoofd –
SEDLATSCHEK: Ooo, wacht, nou snap ik ’t. Zoals het opperhoofd het hoofd van de gasten is – – of nee – zoals de opperkelner de overste van de hoofden is – nee –
WAGENKNECHT: Ah maar zieje, in dat geval zeggen we niet opperkelner maar alleen ‘hé ober’ – of ‘ach ober, steek ’s effe over, stublieft’.
SEDLATSCHEK (draait zich om, salueert geschrokken): Wat, heb je de overste geroepen?
WAGENKNECHT: Maar mensenkindertjes, die zou ik toch niet ‘ober’ durven noemen, ten overstaan van iedereen. Zieje, bij ’n ober kan je achterwege laten dat ie opper is, dat moet je overwegen, want opper ís al ober, echter over –
SEDLATSCHEK: Ober echter over?
WAGENKNECHT: Ach nei, ik wou alleen maar zeggen, over de andere overste hoofden mag je je niet zo entrenous uitdrukken, je zegt tegen de opperwachtmeester niet: ‘hé ober’ – dat zou toch beledigend zijn. Nah, en precies zo zit ’t ook met de opperbommenwerper.
SEDLATSCHEK: Ooo, nou snap ik ’m – je moet dus zeggen: Meneer de opperbommenwerper, mag ik effe een bommetje – opperwerpen?
Schjitterund!!!