De fenomenologische poëtica van F. van Dixhoorn en Henk Ester
Ze lijken op elkaar. Mannen met gladgeschoren kaken, hoge voorhoofden en verwaaide witte haardossen. Ze observeren hun omgeving met dezelfde getrainde haviksblik vanachter ovaalronde brilglazen. Op zomeravonden wandelen ze graag naar de zee, waar de inspiratie schuimend op ze af rolt.
F. van Dixhoorn (1948) loopt voorop. Zijn debuutbundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit (De Bezige Bij 1994) werd bekroond met de C. Buddingh-prijs. Sindsdien publiceerde hij nog zeven bundels en bouwde hij een markant en hecht verweven oeuvre uit.
Henk Ester (1952) volgt zijn collega op een afstandje. Ook hij won de C. Buddingh-prijs met Bijgeluiden (De Arbeiderspers 2013), waarna nog vier bundels volgden. De publicatie van zijn zesde bundel Raamsopranen staat gepland voor 2026.
Niet alleen de fysieke verschijningen van de twee zeventigers, maar ook hun oeuvres vertonen parallellen. Esters werk is net als dat van Van Dixhoorn excentriek en vormt over de bundels heen een eenheid. Het loont om de oeuvres eens naast elkaar te leggen en de overeenkomsten en verschillen in kaart te brengen. Een dergelijke comparatieve analyse helpt wellicht om te voorspellen in welke richting Esters komende bundel zal bewegen en wat Van Dixhoorn nog in petto heeft.
Debuten
Van Dixhoorns debuut begint als volgt:
1. niettemin valt op
hoe rustig hier de bossen zijn
zo aan de voorkant te zien
De bundel bestaat geheel uit dergelijke spreektaalzinnetjes, verdeeld over telkens maximaal zestien versregels per pagina en genummerd volgens een ondoorzichtige logica. Van Dixhoorn vindt inspiratie in ‘dingen die je hoort op straat, die je ergens leest, die je door het hoofd schieten terwijl je langs het jaagpad loopt of fietst.’ Hij noteert toevallige tekstflarden en plaatst die ogenschijnlijk lukraak onder elkaar in een zelfontworpen strofevorm.
Al uit de eerste regels van Henk Esters debuut blijkt dat hij een gelijkaardige methode heeft:
Een dichter treedt niet op, zet de dingen niet naar zijn hand en
verklaart niets. Hij kijkt, luistert, staat aan de kant, in de berm,
midden op de weg, aan zee, op een berg of in het centrum
van een stad.
Ester schrijft graag op een Utrechts caféterras of zoekt inspiratie op de Maasvlakte. Net als Van Dixhoorn stelt hij zich op als een onpersoonlijke waarnemer, die al wandelend tot één groot zintuig transformeert en gewaarwordingen omzet in poëzie. Ook Ester gebruikt een nummeringsysteem: het debuut inbegrepen bestaan zijn bundels uit doorlopend genummerde ‘Bijgeluiden’, die ieder uit telkens vijf gedichten bestaan, maar waarin ook nummers (gedichten?) ontbreken.
Het wandelaarsprocedé van de dichters levert een bij vlagen collageachtige stijl op. Rutger H. Cornets de Groot schreef een mooi boekje over Van Dixhoorns werk, Wat is lekker bij wat: F. van Dixhoorn als empirist (Kwakman & Smet 2025), en merkt daarin op dat de gedichten soms lezen alsof je meeluistert met een zappende televisiekijker. Van Dixhoorn volgt een voetbalprogramma en noteert frappante zinnetjes:
1. overigens moet ik zeggen
dat ik geschrokken ben van die bal
2. verre uittrap
3. voor het eten
Volgens Cornets de Groot is Van Dixhoorn een ‘empirist.’ Sportcommentaar, huiselijke stemmen en gedachten worden droogjes en door elkaar heen geregistreerd en transformeren verrassend gemakkelijk tot poëzie.
Bij Ester gebeurt iets vergelijkbaars, zoals wanneer hij halthoudt op de Maasvlakte en de bedrijfsnamen op verre scheepscontainers in zijn boekje overneemt:
Maersk … Hanjin … Cosco … Geest …
… Wan Hai … Evergreen … Delmas …
Yang Ming … Nedlloyd … Hapag
Dergelijke empirische registraties van omgevingstaal zijn bij Ester zeldzamer dan bij Van Dixhoorn. Bovendien laat Ester ze volgen door expliciete filosofische verzuchtingen:
er is wereld
het wemelt ervan
De ‘bijgeluiden’ van Ester culmineren in een overweldigende realisatie van de omvang van de wereld en wekken het poëtisch verlangen om een rotsvaste bodem te vinden, een theorie op te stellen. Die wijsgerige neiging is bij Van Dixhoorn subtieler:
2. wat overblijft
is het belangrijkste
en het belangrijkste
kun je zien
Cornets de Groot merkt op dat er überhaupt geen ‘overkoepelende eenheid is’ in Van Dixhoorns werk, ‘geen God, geen Geheel, geen Zelfde, geen Zijn.’ De Zeeuwse dichter lijkt een dergelijke eenheid zelfs te schuwen. En hoewel bij Ester de eenheid eveneens ontbreekt, voel je in zijn werk een broeierig en haast jongensachtig verlangen naar een unificerend inzicht, een definitief antwoord.
Tweede en derde bundels
Van Dixhoorns tweede bundel Armzwaai / Grote keg / Loodswezen I sluit qua stijl en vorm naadloos aan bij het debuut. Een vastomlijnd lyrisch ik ontbreekt. De vertelinstantie behelst niets meer dan een wandelend oor dat gespreks- en gedachtenflarden opvangt, bijvoorbeeld in de haven of bij een voetbalwedstrijd:
een geluk
dat ik aan boord moest
wezen
[…]
een spreeuw landt
op het groene grasveld
buiten de lijnen
en trippelt door mijn schuld
het strijdperk in
In zijn derde bundel Takken molenwater / Kastanje jo / Hakke tonen / Hakke tonen / Uiterton / Molen in de zon zien we de dichter van zijn atelier (Van Dixhoorn is beeldend kunstenaar) naar huis lopen:
dan de armen
het witte haar
door de wind
voor zijn gezicht
gewaaid
2. vol
verf
vlekken
In het voorwoord bij de fascinerende Engelse vertaling Collected Works (Broken Sleep Books 2023) schrijft Astrid Alben dat het werk van Van Dixhoorn wordt gekenmerkt door ‘gelijkwaardigheid’: heden, verleden en toekomst, relevante en onbelangrijke details, innerlijke monologen en interpersoonlijke dialogen worden met dezelfde afstandelijke verstrooidheid geobjectiveerd. Dat geldt in toenemende mate ook voor tekst en paginawit. Zo staat op pagina 40 van Takken molenwater enkel nog de onomatopee ‘3. kra kra kra.’
Henk Esters tweede bundel E-groot is rood (De Arbeiderspers 2016) sluit eveneens aan bij het voorgaande werk. De dichter zoekt inspiratie bij verschillende wetenschappen, kunstvormen en beroemdheden (Armando, Messiaen, Kempff, Morandi, Witten), struint rond in kathedralen en musea, bossen en duinen en slalomt tussen allusies en anekdoten door, op zoek naar die ene rake formulering:
Verstaan is verhalen, tijd verlopen:
het voelen van de grond, de weemoed
van water, het ego van de oceaan
Dirk De Geest merkt op dat Esters derde bundel, Het vermoeden van Witten (De Arbeiderspers 2018), het karakter heeft van ‘notities in de marge’ [https://mappalibri.be/?navigatieid=61&via_navigatieid=17&recensieid=7725]. Jan de Jong situeert Esters stijl ‘op de grens tussen taalfilosofie en ontologie’ en duidt het werk als de zoektocht naar een ‘grammatica van de intuïtie’ [https://www.tzum.info/2019/05/recensie-henk-ester-het-vermoeden-van-witten/]. Inderdaad, meer dan in de vorige bundels lijkt Ester hier op de tast te schrijven, hardop denkend, stamelend, vertrouwend op (klank)associaties:
aanwijsbaar
niet aan te spreken
aantoonbaar breder
onderheid
onhoorbaar, uiteindelijk
is alles mogelijk
er zijn geen feiten
Vierde en vijfde bundels
In zijn beschouwing van Van Dixhoorns vierde bundel Dan op de zeevaartschool noemt Cornets de Groot [https://www.cornetsdegroot.com/rhcdg/over-de-poezie-van-f-van-dixhoorn/] het werk een ‘alchemie van de spreektaal’, waarbij ‘spontane taaluitingen’ de ‘prima materia’ vormen. Toch lijkt die rol van het basismateriaal in deze bundel al vooral weggelegd voor het paginawit. Meer nog dan in voorgaand werk geeft Van Dixhoorn hier de leegte, het zwijgen, een prominente rol, telkens met weloverwogen effect. Zo symboliseren de eenzame woordjes ‘een boot’ op pagina 16 perfect het beeld van een verre schuit op de abstracte zee. Dergelijke spaarzame tekstplukjes wekken in de lezer de neiging heen en weer te bladeren. Van Dixhoorns werk ‘houdt zichzelf bezig’, aldus Cornets de Groot, en is geschreven in ‘een taal die uit het moment van het lezen stamt.’
In Wiskunde van lyriek, Esters vierde bundel, gebeurt volgens Dirk De Geest iets soortgelijks: ook hier moet de lezer ‘de leegte opvullen’ en van het verbrokkelde geheel een synthese zien te maken. Ester experimenteert uitbundiger met herhaling, interpunctie en regelval en dwingt de lezer om een centrale rol te bekleden:
iets laten
weten
(iets: laten weten)
In zijn laatste bundel Kameren van vuur (De Arbeiderspers 2023) schrijft Ester volgens De Geest nog explicieter ‘over het schrijven zelf’ en worden wetenschap, wiskunde en muziek tot louter ‘symbolen van het poëticale proces’:
Het ontbreekt niets – als het al iets is
Het is maken en aanschouwen ineen
Het is een kamer die door en door verlaten duurt
Het is actueel, wijdverbreid, verre van eenzaam
Het is het, niet zomaar wat
In dat jongste werk is goed te zien dat Ester in navolging van Van Dixhoorn onherroepelijk afstevent op doorgedreven minimalisme, paginawit – stilte. De laatste zin van Kameren van vuur luidt al:
verstomt de verte van vergeten
Van Dixhoorn was Ester voor en schreef (zestien jaar eerder) in zijn vijfde bundel Twee piepjes (De Bezige Bij 2007) al op de vierkante centimeter:
1. van dat genoemde
2. of bedoelde
De schriele tekst wurmt zich in deze bundel ‘tussen betekenaars en betekenden’, schrijft Cornets de Groot en ontmaskert in real time de zoektocht naar betekenis die lezen heet.
Van Dixhoorns voorsprong
In bundel zes De zon in de pan (De Bezige Bij 2012) verfijnt Van Dixhoorn zijn stijl en bereikt hij het radicale minimalisme van zijn recentste publicaties. Middels weglating, herhaling, experimentele vormgeving en een secuurder gebruik van het bekende nummeringsysteem, houdt hij met dit werkje van slechts tweemaal zestien pagina’s de lezer langer bezig dan die zou denken:
om
de ene na
de andere
om
Samuel Vriezen merkt op dat de ‘plaatsing op de pagina in toenemende mate een expressief gegeven wordt’ en dat ‘de precieze ritmering van een woordherhaling of een getal steeds groter gewicht krijgt.’ Van Dixhoorns opgevoerde abstractie schept paradoxaal genoeg een alsmaar breder interpretatiepotentieel.
In Verre uittrap (De Bezige Bij 2017) zoekt hij letterlijk en figuurlijk de buitengrenzen van het paginawit op, door de paginanummering weg te laten en de tekst naar de bladmarges te verbannen en zelfs over de rand te duwen:
ding.’
ding.’
overal van.’
Zoals te verwachten viel, heeft Van Dixhoorn in zijn recentste publicaties het doel van de opticien en de kat van de muziekschool (Het balanseer 2023) enkele pagina’s ingelast waarop enkel de laatste interpunctietekens van een citaat zijn achtergebleven of waarop zelfs alle taal is verdampt.
Fenomenologische poëtica
Het lyrisch ik is in het werk van Van Dixhoorn en Ester volkomen doorzichtig. In plaats van een vastomlijnd subject met een persoonlijkheid (autobiografische details zijn in deze oeuvres afwezig of grondig gecamoufleerd), wordt het centrum bezet door een leegte waar prikkels en signalen aan blijven kleven. Beide oeuvres zijn bovendien netwerken van interne verwijzingen. Woorden, uitdrukkingen en beelden keren terug over de bundelkaften heen en vormen geheime gangen in een complex systeem – een bewustzijn vol associaties en herinneringen, maar zonder kern.
De oeuvres laten een gestage ontwikkeling zien, een progressief minimalisme waarbij de lezer steeds duidelijker een actieve, construerende rol krijgt toebedeeld bij de duiding van de opgevangen fenomenen. Met name Van Dixhoorn is spaarzamer gaan schrijven, maar ook bij Ester valt een groeiend besef te bespeuren van de ontoereikendheid van de taal.
Ondanks het ondoordringbare karakter van Van Dixhoorns poëzie blijft zijn werk speels, dadaïstisch bijna, en valt er hier en daar zelfs een vleugje erotiek en humor te bespeuren. Bij de postmodernistische filosoof-dichter Ester heerst de ernst en blijft de wandelaar altijd ook wetenschapper. Hij zoekt aansluiting bij heersende paradigma’s, haalt bekende namen, titels, locaties en theorieën aan en gebruikt graag wetenschappelijk jargon. Van Dixhoorn doet niet aan namedropping, verwijst nergens naar andere disciplines. Zijn oeuvre vormt een eiland.
Hoewel Van Dixhoorn slechts vier jaar ouder is dan Ester, heeft hij een literaire voorsprong van bijna twintig jaar. Als de ontwikkeling naar minimalisme bij Van Dixhoorn doorzet, bestaat zijn volgende bundel wellicht uit louter blanco bladzijden. Wellicht zal ook Ester in zijn aankomende bundel Raamsopranen (een titel die overigens in Kameren van vuur al voorbijkwam) uitkomen bij een overgave aan het zwijgen.
De mannen volgen een fenomenologische poëtica, waarbij de dichter impressies registreert en herschikt, enkel om te zien welke betekenissen dat genereert. Geen diepte, geen duiding, enkel oppervlakte en verwondering. Zo’n literatuuropvatting beroept zich vroeg of laat op het zwijgen.
Behoren deze dichters tot een uitstervende soort? Een twintigste-eeuwse lezer ziet in de mannen nog twee intellectuelen, maar de moderne lezer beschouwt ze wellicht vooral als witte en welvarende pensionado’s met een heel resem aan privileges: cultureel kapitaal, veel vrije tijd en een goede mentale gezondheid – kortom, de luxe om met finesse van het leven te kunnen proeven, in plaats van erdoor te worden verzwolgen. Hoe waar dat ook mag zijn, deze poëzie bewijst dat het perspectief van de zeventigjarige met zeven vinkjes niet mag worden verwaarloosd, laat staan geridiculiseerd.
Zee
De zee, die zo vaak opduikt in de oeuvres én levens van de auteurs, doet dienst als dankbare bron van inspiratie. Logisch: ze staat symbool voor het zwijgen, voor de volmaakte abstractie, het woordloze wonder van het paginawit. Ester struint nog door de duinen, maar kan het ruisen van de zee al horen:
het donkere geluid van de golven
het geschokte kwarts van de zee, van de
zee het water, de wateren een muur
Van Dixhoorn staat op het strand. Hij trekt zijn wandelschoenen uit, stroopt zijn broekspijpen op en loopt de branding in:
1. kijk de zee
Thomas van der Zwan (1986) is een Vlaams-Nederlandse publicist die schreef voor o.a. Hollands Maandblad, Liter, De Optimist, De Standaard, Neerlandistiek en MappaLibri. Hij woont in Leuven en werkt als leerkracht Nederlands op een middelbare school. Website: https://www.thomasvanderzwan.com/
De mannen volgen een fenomenologische poëtica…(…) Volgen? Dan was het er al voor ze schreven? Is fenomenologie niet een uitvloeisel van wat zich verstopt in het binnenbrein afspeelt? En als dat zo is wat is dan belangrijker: het buiten of het binnen. Een biologische verklaring geven deze schrijvers niet alhoewel je koude voeten kunt krijgen in een koude zee. Dus wat volgen ze? Beleving, maar dan ben je er niet. Helaas.