Over uithoudingsvermogen en doorzetten in de vroegmoderne tijd
Waarover ik me verwonder is dat mensen in de zeventiende en ogenschijnlijk ook de achttiende eeuw zo jong al meester in iets waren. Disclaimer: ik doe even een greep uit mijn hoofd, zonder te vertrouwen op digitale media en zonder uren naar de feiten te zoeken die ergens op mijn computer zijn opgeslagen, een zoektocht die me immers langs allerlei ándere feiten leidt, waardoor dit tussendoorse stukje over een dag nog niet af is en misschien zelfs nooit meer af komt. Als u dit artikel leest, is het dus goed gegaan: ik ben niet verdwaald.

Ik herinner me iets over Hugo de Groot, die op zijn tiende al Latijnse gedichten schreef (misschien was dat toen een makkelijk kunstje?). De mare gaat dat Hugo bij de familie Hooft kwam eten – vader was burgemeester van Amsterdam, Pieter nog een broekie – en Hugo direct grote indruk maakte met een juridisch exposé. Hij was elf toen hij naar de ‘universiteit’ ging. Rembrandt kon toen hij jong was al in detail lichamen tekenen, vakwerk is het, dat hij door bij een meester in dienst te gaan als tiener al beheerste. En ik kwam een Spaanse vrouw tegen, Juana Inés de la Cruz, die als peuter leerde lezen, op achtjarige leeftijd poëzie schreef en op haar zeventiende door geleerden werd getest op haar kennis: die had ze. Of neem Émilie du Châtelet, dat grote wiskundige en filosofische ‘wonder’ uit de achttiende eeuw in Frankrijk.
Elfjarigen
De Republiek moet dan wel ontelbaar veel geleerde vrouwen hebben voortgebracht, meesters in de taal, aangezien ons land toen het meest geletterde van Europa was. We hadden algemeen onderwijs voor jongens en meiden tot zo’n 7 jaar. Hoeveel kennen we er? Anna Maria van Schurman is ons grote ‘wonder’ of dus: de toekomstig geleerde. En nu kom ik nog veel meer vrouwen tegen die op verschrikkelijk jonge leeftijd al konden schilderen, tekenen, dichten: Petronella de Timmerman, naast nog meer Anna’s en Catharina’s. Wat bij hen juist opvalt is hun multitalent. Alleen, de intellectuele stimulans hield bij meiden doorgaans op in hun puberteit, waardoor we het bij meiden een wonder noemen en het bij jongens onderdeel was van hun leerweg. En dus ‘gewoner’.
Nee, dan nu: jonge meesters. Natuurlijk hadden ze toen geen telefoon om uren in te verdwalen (Zilveren Kruis houdt inmiddels een campagne om meer mens te worden en te ‘socialminderen’). Maar in mijn jeugd, toen een computer nog een grote kast was en een televisie klein en bol, waren er volgens mij ook geen elfjarigen op de universiteit.
Kinderen werden in de zeventiende en achttiende eeuw nog niet gezien als kinderen, maar als kleine volwassenen. Waardoor ze al snel de verantwoordelijkheden kregen die volwassenen hadden. Hup, helpen met de lakens wassen, trek ze door de pers (in een ‘rijk’ gezin althans, in het voorhuis, zodat iedereen het goed zag). ‘Kijk,’ zegt moeder tegen dochter, ‘zo maal je die steentjes tot verfstof, je doet er lijnzaadolie bij. Nee, je houdt je kwast verkeerd vast.’ Misschien werden kinderen voortdurend gecorrigeerd, voortdurend met hun neus op hun kunnen en niet-kunnen gedrukt.
Trots
Maar toch: ik denk dat het vooral het aantal uren toewijding is. Talent is misschien niets anders dan (moeten) volhouden. Uren bezig zijn tot je het onder de knie hebt. Uren oefenen op het tekenen van een vinger. Uren lezen bij kaarslicht tot je ogen ervan prikken. Voortdurend – de hele dag door – (streepjes-alert: nee, dit komt niet van een chatbot) gestimuleerd worden, input krijgen, aangemoedigd worden. Ik denk even aan hoe de vader van Constantijn Huygens hem leerde rekenen: door de knopen op zijn wambuis te tellen. Door leren in het dagelijks leven te integreren.
En ik zou me willen ingraven. Wat heb ik altijd graag vingers, handen willen kunnen tekenen. Maar ik had de Ausdauer niet. Ik vond het te moeilijk en ik gaf op, en er was niet iemand die mij er dagelijks op wees dat het erbij hoorde in het leven; handen kunnen tekenen. Wat wil ik nu álles weten van de eerste vijftig jaar van de zeventiende eeuw (omdat daar mijn obsessie ligt: het leven van Tesselschade Roemers, een mens van vlees en bloed, iemand die ik wil kunnen doorvoelen, in de huid wil zitten). Ik graas titels bij elkaar, ik wil lezen. O wat wil ik graag lezen. Maar tijd. Uren van ongestoorde toewijding.

Ik dacht altijd dat het leven in de zeventiende en achttiende eeuw zo druk was. Dat je nooit alleen was en altijd sociaal moest zijn: overal mensen, getetter om je heen, vermaak, lol en werken met je platte harses. Jan Steen heeft ons beeld gevormd. Lees Hilary Mantel’s trilogie over Thomas Cromwell en je denkt: die gast raakt bedolven onder de mensen (en dan blijkt hij zich verdomd soepeltjes en gehaaid tot hen te verhouden en zet hen naar zijn hand). Maar tot mijn verbijstering lees ik in een sociaal-economische studie over het Noorderkwartier (het gebied waar Alkmaar in ligt, de stad waar Tesselschade Roemers woonde), dat gezinnen aan het begin van de zeventiende eeuw heel klein waren en huizen bewoond werden door man, vrouw en kinderen. Ouders woonden niet in bij hun kinderen, zoals je zou verwachten, en bedienden hadden gewoon hun eigen huis of onderkomen. Er waren dus heel kleine huishoudens. Hoezo sociaal druk?
Dus hadden mensen toen misschien ook wel tijd voor zichzelf, tijd voor het leren van skills. En konden ze daardoor jong excelleren. Wie het weet, mag het zeggen. Wat mij rest is bewondering. Bewondering voor het uithoudingsvermogen van de mensen die ons voorgingen. Al denk ik relativerend: het zijn de uitzonderingen waar de bronnen over vertellen. Het zijn degenen die afwijken die opzien baren, of trots of verwondering en waarover geschreven wordt en wier namen worden herhaald. Want zo wordt geschiedenis geschreven: vanuit trots en verwondering. Trots ben ik dus, en verwonderd, over al die vrouwen die in de vroegmoderne tijd als jonge meid al meester waren: #trotsoponzevoorgangers
Dit stuk verscheen eerder op de substack van Fleur Speet
Pappa Huygens leerde zijn zoontje via de knopen van zijn jas de muziek Twaalf komen: een octaaf. Heel modern.