
Ik moest vanmorgen denken aan het lied Ketelbinkie. een prachtig lied dat veel mensen van buiten kennen en dat niet ophoudt te ontroeren. En waar zit hem dat nou in? Het is een droog verteld verhaal, kennelijk is er een stoere zeeman aan het woord die vooral niet sentimenteel wil worden en er zich niet van bewust is dat we meeluisteren. Hij gebruikt allerlei vaktermen, zoals fo’c’s’le oftewel forecastle, het vooruit waar de bemanning zijn kwartier heeft. Ze vertrekken niet uit Rotterdam, dat doet iemand die er iets achterlaat maar ze vertrekken van Rotterdam, dat doen zeelui en spoorwegpersoneel en andere beroepsreizigers, zo leerde Willem Wilmink ons.
Jammer dat het ketelbinkie niet meer terug komt. Het lied heeft de vorm van een oude rederijkersballade met een terugkerende refreinregel: die straatjongen uit Rotterdam. Wonderlijk is dat het accent op de onbeklemtoonde lettergreep ligt, jongén, wat eigenlijk niet hoort, normaal is jóngen, maar hier werkt het kennelijk heel goed.
Het lied bevat veel elementen die in levensliederen succesvol zijn: de zee, een oude moeder, een kind dat sterft. Maar mooi is dat het zo terughoudend verteld wordt en daardoor zo veel ruimte laat voor de emotie van de luisteraar. Het is ook een heel geloofwaardig verhaal.
De schrijver van de tekst was Anton Beuving (A.Oliemans 1902-1977) die als 17 jarige jongen op de kade zijn moeder geen kus had durven geven toen hij vertrok als messbediende op zijn eerste reis. Hij was ziek geweest, had schurft opgelopen en had te kooi gelegen. Het beeldje van Ketelbinkie dat sinds 1973 op de Kop van de Wilhelminakade stond maar ontvoerd werd en toen op Katendrecht terecht kwam, had ook een beeldje van de jonge Oliemans kunnen zijn. Hij werd een productief auteur, meer dan 50 detectives, een tiental kinderboeken waarvan Vuur aan bakboord heel bekend was. Hij gebruikte allerlei pseudoniemen, als Sonja Tilaar schreef hij liedjes voor Annie de Reuver, maar hij was ook Ton Herder voor andere artiesten. Als Anton Beuving schreef hij zijn beste liederen: met Bobbejaan Schoepen het klassiek geworden De lichtjes van de Schelde, met Tom Erich Greetje uit de polder en met Jan Vogel niet alleen Ketelbinkie maar ook het mooie En altijd komen er schepen .
Jan Vogel werkte in 1943 net als Anton Beuving, Conny Stuart en WimSonneveld mee aan het radiocabaret van Wim Ibo De jonge Nederlanders. Daarbij was ook Frans van Schaik te horen, De Zingende Zwerver. In april 1943 nam hij Ketelbinkie voor het eerst op in het Amsterdamse City-theater met Cor Steyn aan het grote bioscooporgel. Frans van Schaik zou het lied, dat zijn lijflied werd, nog een aantal keren opnemen met orkesten en koren. In de Sandwich draaide ik een opname uit 1956 maar ook die was al niet meer zo sober, stoer en aangrijpend als zijn eerste opname uit de oorlog toen Frans nog niet wist dat hij een klassieker op de plaat zette.
Laat een reactie achter