• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
    • Chris van Geel
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Citaten Hermans uit collectie Delvigne

29 april 2026 door Reinder Storm Reageer

De Neerlandicus, bibliograaf en literatuurwetenschapper Rob Delvigne (geb. 1948) doet blijkbaar afstand van zijn collectie brieven en boeken van Willem Frederik Hermans (1921-1995). In mei 2026 komt het materiaal onder de hamer bij veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem. Rob Delvigne publiceerde veel over Hermans. Het bekendst is waarschijnlijk zijn bibliografie van Hermans’ verspreide publicaties Schrijven is verbluffen, waarvan twee drukken verschenen, in 1972 en in 1996. Vijfentwintig jaar stond Delvigne in rechtstreeks vriendschappelijk contact met Hermans en tientallen brieven en boeken met opdrachten getuigen daarvan.

Het meest aansprekende lot op de veiling is denkelijk nr. 84/ 970, dat meer dan 100 brieven en ansichtkaarten etc. bevat uit de periode 1970-1995. Onderwerpen die aan de orde komen zijn Hermans’ eigen boeken, literatuur en het schrijven op zichzelf, taal, Nederlandse letterkunde (o.a. Multatuli, Jacob Israël de Haan, Lodewijk van Deyssel, E. du Perron en Menno ter Braak), en persoonlijke vraagstukken en polemieken; het gaat ook uitgebreid over Hermans’ vertrek uit Groningen.

De talrijke citaten uit de correspondentie in de veilingcatalogus zijn aanstekelijk en veelbelovend.  

(…) (Een roman is de enige plaats waar je zonder omwegen te weten komt wat een ander denkt. Waarschijnlijk is dat dè grote attractie van romans, d.w.z. van romans die in de 3e persoon zijn gehouden) (…) [02/07/1970].

(…) Gedurende de afgelopen dagen heb ik de drukproef gecorrigeerd van de inleiding die ik bij de bibliografie heb geschreven. (…) Zo is het door mijn wijzigingen hoop ik nog duidelijker geworden dat het me er niet om begonnen is de bibliografische arbeid van u en de heer Jansen [sic] op een afstand te plaatsen, maar me te distanciëren van sommige door mijzelf geschreven stukjes, waarvan uw bibliografie de opgraving vergemakkelijkt en vooral van de eventuele exegeses die sommige vorsers met een zekere wellust juist uit zulke dode zeerollen zullen putten. De verleiding daartoe moet groot zijn: ik zou er zelf, als het een andere auteur was die ik haatte, ook geen weerstand aan bieden (…) [23/08/1972].

(…) Nog altijd zijn er mensen die me vragen of ik nog altijd gelijk heb. Het antwoord luidt gelukkig: meestal wel. Bescheiden zeg ik daar dan bij dat ik er overigens niet veel mee opgeschoten ben (…) [18/12/1972].

(…) Vingeroefeningen bestaan niet in de literatuur. Er valt niets te oefenen, dat meen ik serieus (…) [08/03/1973].

(…) Ik moet u zeggen dat ik Scott Fitzgerald nooit aandachtig genoeg gelezen heb, om een geestverwant in hem te herkennen. ’t Is mogelijk dat u gelijk heeft. Ik zal het nog eens proberen, wanneer ik in de stemming ben mooi te vinden wat andere schrijvers hebben geschreven. Dat ben ik – bij het klimmen der jaren voortdurend egocentrischer geworden – nog maar zelden, moet ik u tot mijn schande bekennen (…)[29/05/1973].

(…) In de kisten die naar Gerrit Borgers zijn gegaan, zijn waarschijnlijk wel meer dingen terechtgekomen die er niet in moesten en andere zijn in de vuilnisbak verdwenen of mee hier naartoe gegaan, die er wel in hadden gemoeten. Maar ik moet bekennen dat ik de opruiming van mijn huis in Haren alles behalve koelbloedig heb verricht. De chaos maakte me zo wanhopig dat ik maar wat hier en daar naartoe heb gesmeten, in deze kist of in die, in de vuilnisbak etc. (…) [21/01/1974].

(…) Wat me is opgevallen bij het herlezen van brieven is, dat ze altijd over duitenkwesties gaan en niet over artistieke kwesties. Dat zou wel zo interessant zijn, maar nee, helaas. Andere auteurs schrijven in hun brieven allerlei bijzonderheden over hoe ze iets maken e.d. hoe ze schrijven, wat ze bedacht hebben; ik niet, niet in dit geval en zelden in andere gevallen. Over die dingen ben ik (niet uit principe, maar ik weet niet waardoor) zeer kuis. Dat is waarschijnlijk jammer voor wie mijn brieven ooit zal lezen, maar het is aan de andere kant wel goed dat een roman of wat dan ook in het geheim wordt uitgebroed, net zoals de hele schepping uitgebroed is (…) [10/05/1974].

(…) Ik was de eerste jaren dat ik college moest geven zo benauwd, dat ik amphetamine slikte om uit mijn woorden te komen, maar tot mijn verbazing wende het. Ook hier kon ik de eerste tijd van zenuwachtigheid de mensen slecht verstaan, maar op een bepaald ogenblik was dat ineens voorbij – wat niet wil zeggen dat ik ze nu altijd versta, maar toen kwam het echt van de schrik (…) [30/10/1975].

(…) De vijfhonderdste verspreide publicatie, zeg je. Soms word ik er zelf bang van, neem ik me voor er maar eens een tijdje mee op te houden en weer aan een Groot Boek te beginnen, maar dan ben ik weer bang dat ik ook weer niet al te veel grote boeken moet schrijven, omdat ze dan wel eens minder goed zouden kunnen worden, misschien. Ik ben veelvuldig bang. Dat komt ervan als je zoveel jaren ambtenaar met een vast inkomen bent geweest: bang voor de inflatie en nu in het bijzonder voor de verschrikkelijke droogte hier. De oogsten zullen mislukken, de levensmiddelen nog duurder worden, nog meer stakingen, nog meer loonsverhogingen, nog meer inflatie (…) [26/06/1976].

(…) Brieven schrijven is zowat de eerste vorm van schrijven waarmee ik geconfronteerd werd, omdat mij ouders vonden dat ik aan allerlei ooms en tantes verjaardagsbrieven schrijven moest. Ik word nog bleek om mijn neus, als ik bedenk hoe ik dit haatte en met hoe wanhopig bengelende benen ik op mijn potlood zat te kauwen om er een paar gemeenplaatsen uit te krijgen. Al die mensen interesseerden me geen lor en het heeft tot de hoogste klassen van het gymnasium geduurd, eer ik bedacht dat ik schrijven (brieven, schoolopstellen) ook nog wel kon gebruiken om iets anders uit te drukken dan dingen die ik niet meende, of die me ijskoud lieten (…) [01/10/1982].

(…) Mijn bergen aantekeningen zijn waardeloos, omdat ik er nooit iets in terug kan vinden. Alleen al omdat ik (…) meestal niet weet wat ik erin zoeken moet, anders hoefde ik niet te zoeken. Ik begrijp niet hoe andere schrijvers enig nut van hun dagboek- en ander in de loop der tijden toevallig gemaakte aantekeningen hebben. Zouden ze koelbloedig en geduldig genoeg zijn er systematische registers op te maken en die dagelijk[s] door te nemen om te zien of ze er nog van gebruiken kunnen? Ik ben zo niet (…) [02/01/1983].

(…) Ik betreur het méér dan ik meestal blijken laat, dat de meeste schrijvers me zo vervelen, maar ’t is niet anders. (…) Op den duur heb ik waarschijnlijk in hoofdzaak mezelf te pakken door alles zo af te keuren, maar ik kan niet anders. Als ik niet met mijn eigen geschriften bezig ben, verveel ik me meestal en wat ik zelf geschreven heb kan ik niet lezen zonder angst dat een ander het vervelend zal vinden, of dat latere lezers het vervelend zullen vinden, de taal ouderwets, etc., etc. (…) [08/06/1984].

(…) Ik blijf een vijand van de autobiografie, dit wordt eerder erger. Het meeste van wat er vroeger allemaal gebeurd is, of wat helaas allemaal tot mijn verdriet niet gebeurde, wil ik het liefst vergeten. Al dat nadenken over het verleden leidt maar tot moedeloosheid, als je op een leeftijd bent gekomen dat er niets meer aan te verhelpen valt. Dit kan weliswaar op geen enkele leeftijd, maar in je jeugd lijkt het tegen beter weten in, mogelijk. Later komt er nog bij dat er ook geen compensatie meer kan worden gevonden, zelfs niet meer hoeft te worden gezocht. Ik weet niet of het een ouderdomsverschijnsel is, maar geloof me, ik heb de neiging iedereen die op mij schold toen ik klein was, in toenemende mate achteraf gelijk te geven. Hoeveel dingen heb ik me destijds niet verbeeld te kunnen, die ik eigenlijk niet kon – precies wat zij ook dachten. Maar aan zulke défaitistische gedachten toegeven, dat is bij wijze van spreken met één been in het graf stappen voor je tijd – dus heel verkeerd (…) [24/10/1985].

(…) Gelukkig”? In het oog van menigeen leid ik hier een uitzonderlijk eenzaam bestaan. Maar ik heb toch geen grote behoefte het gezelschap van Fransen of Franse schrijvers op te zoeken, want die zouden waarschijnlijk denken: Nooit van gehoord – misschien is hij wel een bedrieger of een prutser. Ik trek me weinig aan van deze eenzaamheid, nog steeds verbaasd over het feit dat ik hier van mijn pen kan leven, in een stad die ik nog altijd wonderschoon vind (…) [09/11/1987].

(…) ’t Schrijven over denkbeeldige personages is lastig, als je gedachten onwillekeurig steeds verwijlen bij de moeilijkheden van je eigen personage. Nu kan iemand natuurlijk wel besluiten dan maar alles over zijn eigen narigheid te boek te stellen, maar ik zie ook daar geen heil in. Mijn verleden vind ik miezerig en oninteressant en mijn heden ook al niet heroïsch (…) [10/04/1988].

(…) Aardrijkskundigen kunnen dus niets anders dan feiten opsommen, maar ze nemen de schijn aan meer te kunnen, bang anders door de andere geleerden aan de universiteit voor debielen te worden gehouden. Feiten verzamelen is al moeilijk genoeg, ware het alleen al omdat de meeste staten niet eens betrouwbare statistieken produceren. Ja, zelfs de hoogte van de Mount-Everest staat niet onwrikbaar vast (…) [29/04/1989].

(…) Nu is er weer een meneer die een bewonderend essay over de Klondyke-boekjes heeft geschreven. Het doet me niet het geringste plezier. Het maakt alleen het gevaar groot dat er roofdrukken van opduiken (…). Toch zal ik ze niet laten herdrukken, al heb ik daarvoor al enkele aanbiedingen gehad. Liever bestolen worden dan te moeten weten dat ze open en bloot als BELANGRIJK JEUGDWERK in de boekhandel zouden liggen. Er gebeurt zo veel in Nederland dat mij mishaagt en over een jaar of tien ben ik toch uit mijn lijden: hetzij dood, hetzij volledig onverschillig (…) [15/03/1990].

(…) Ik zal dat boek [= Argeloze Terreur] nooit publiceren en hopelijk voor mijn dood vernietigen. De reden daarvoor is, dat het voor 50% op een echt dagboek is gebaseerd, het is een roman in dagboekvorm, maar doordat het op een echt dagboek stoelt, heeft het voor mij de bijsmaak van opschepperij en gelieg. Hier zie je duidelijk het verschil tussen romanschrijven, d.w.z. onbaatzuchtig fantaseren, en liegen (…) [14/09/1991].

(…) Ik heb gehoord dat Hugo Claus erg verdrietig was, omdat hij deze keer alweer de Nobelprijs niet heeft gekregen. Het wordt langzamerhand wel pijnlijk: Nederland als enige Beschaafde natie zonder Nobelprijs Letteren. Als een Nederlandstalig auteur hem uiteindelijk toch eens krijgt, kan hij bij zichzelf zeggen: Nou ja, het is eerder een belediging, ik krijg hem uit medelijden, of omdat het langzamerhand wel moet (…) [31/10/1992].

Voor meer informatie, zie bubbkuyper.com.

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Delen:

  • Afdrukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • E-mail een link naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Share op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Delen op LinkedIn (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Nieuws Tags: 20e eeuw, brieven, letterkunde, Willem Frederik Hermans

Lees Interacties

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Karel van de Woestijne • ‘k Ben eenzaam-droef

— Gij gaat mijn duister huis voorbij,
verlangenloos en rechte;
ik rade uw naakte, maegre dij;
ik zie uw donkre vlechte.

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Vlaggetjes

Een kind is een muis in het nauw
als de machtigen samenspannen

Bron: Ida Gerhardt

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

7-8 mei 2026: Germanic Sandwich 10

7-8 mei 2026: Germanic Sandwich 10

29 april 2026

➔ Lees meer
11 mei 2026: Promotie Bartie Thijs

11 mei 2026: Promotie Bartie Thijs

28 april 2026

➔ Lees meer
8 mei 2026: Symposium Onsterfelijke dood

8 mei 2026: Symposium Onsterfelijke dood

26 april 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

geboortedag
1929 Eva Essen-Fruin
➔ Neerlandicikalender

Media

Sanneke van Hassel en Bert Paasman over Elisabeth Maria Post

Sanneke van Hassel en Bert Paasman over Elisabeth Maria Post

26 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
In gesprek met literaire duizendpoot Jonathan Van Der Horst

In gesprek met literaire duizendpoot Jonathan Van Der Horst

22 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
The perks of literature – with Jeroen Dera

The perks of literature – with Jeroen Dera

22 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacy­verklaring
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d