In de 17e eeuw begon het huidige Biesboschgebied vanuit het noorden weer boven water te komen. Het begon met zandplaten die steeds verder opslibden en uiteindelijk waard werden. Kaarten uit de 17e eeuw laten het proces goed zien. Op recente kaarten is een tweetal Eijerwaarden te zien, te weten de Kleine Eijerwaard en de “gewone” Eijerwaard. In de 17e eeuw waren er meer Eijer-locaties. En hadden de huidige Eijerwaarden een andere vorm. Waarom heten ze zo?

Oude en andere vermeldingen

Bovenstaande kaart uit 1642 is voor zover bekend de oudste kaart met een Eijerwaert. Een kaart uit 1684 toont het Eijersant. De vorm oogt anders…

Wat betekenen deze toponiemen?
Waard en zand
We beginnen met het tweede deel van de toponiemen. Een waard is, in zijn algemeenheid, laag liggend land, aldus de Etymologiebank, of door rivieren ingesloten land. We kennen tegenwoordig vooral het begrip uiterwaard. Hiermee bedoelt men het gebied tussen zomer- en winterdijk. Uiter– betekent oorspronkelijk ‘buiten-‘. Dus het gaat in deze terminologie vooral om buiten de winterdijk liggend land. In de Biesbosch liggen diverse waarden. Daar heeft, volgens Huib den Tuinder in zijn Namengalerij, de term waard ook de betekenis van laag liggend land dat bij vloed nog overstroomt of dat vaak dreigt te overstromen. Die waard-naam blijft aanwezig ook als het gebied adequaat omkaad of bedijkt is.
De term sant of zand komen we vooral op oude kaarten tegen. Het is de naam voor een opslibbende zandplaat. Regelmatig ziet men daar de aanduiding ‘opkomend zand’. Dat zand werd aangevoerd vanuit de Merwede. In de middeleeuwen was dat een rivier vol zandplaten. Na de dijkdoorbraken in de decennia na 1421 spoelde dat zand naar het zuidwesten. Soms blijft het naamdeel zand hangen, zoals in de Biesboschpoldernaam Jannezand.
Eijer
Het woord eijer in onze toponiemen is lastiger. Daarbij moeten we waarschijnlijk denken aan de vorm van de waard of de zandplaat. Vorm-namen zoals een Lange Plaat en een Kromme Hoek zijn in de Biesbosch vrij algemeen. Wat betreft de Eijerwaard zie men onderstaande kaart uit 1643. De kaart laat de Eijerwaard zien op een andere manier dan bij de eerder hier getoonde kaart uit 1642.


Op deze kaarten lijkt inderdaad sprake te zijn van een ovale ei-vorm. Nu verandert de vorm van zandplaten in wording weliswaar na elke vloed of storm, maar tijdens de naamgeving zal de ei-vorm het meest opvallend zijn geweest.
Alternatieve benamingen zijn namelijk allemaal minder waarschijnlijk. Zo ligt een verband met eieren die door vogels in de Biesbosch gelegd werden, niet voor de hand omdat op overstromende zandplaten of in overstromende waarden zo veel eieren gelegd werden. Dat legseizoen is bovendien kort. Het gebeurt eigenlijk nergens dat het legseizoen achtergrond is van een veldnaam. De vogels zelf zijn dat in de Biesbosch wel, zoals bij de Kievitsplaat of de Deeneplaat (Denen is een regionale aanduiding voor overwinterende wilde zwanen, afkomstig uit o.m. Denemarken).
Aan eiders, een soort eend, valt sowieso niet te denken want de naam voor die vogels kenden we in de zeventiende eeuw nog niet. Bovendien zijn eiders kustvogels van het zoute water die pas sinds 1906 in ons Waddengebied broeden. In vorige eeuwen huisden ze vooral in noordelijke streken van Europa.
Besluit
De hypothese dat we bij de Eijerwaard en ook bij het Eijersant te maken hadden met een ovale vorm vindt steun in kaartbeelden van een bepaald moment. De meeste van de platen uit de 17e eeuw hebben een naam die te maken heeft met de natuur (zoals vissen als zalm en prik, en ook muggen, kieviten etc.), zoals waargenomen door de eerste werkers in het gebied. Vissers, rietsnijders, jagers. Daarom lijkt het meest aannemelijk dat de vernoeming van onze waard en plaat voortvloeit uit de, zij het tijdelijke, aanblik van een ovaalvormig gebied. De vorm van de waard (en later de zandplaat) was blijkbaar zo markant en alom ingeburgerd dat de waardnaam later is blijven hangen.
De Eijer-namen lijken specifieke Biesboschnamen te zijn. Zandplaten die uit het water opkomen en dan uitgroeien tot eilanden zijn zelfs in ons land uniek. Het is in wezen het verschil tussen op- en aanslibben. Aanslibben betekent dat vanuit bestaand land het grondgebied groter groeit. Dat gebeurt bij de Waddenkust waar Groningen en Friesland regelmatig de kustlijn verder noordwaarts legden. En het gebeurt bij rivieren, waar door verlegging van de stroombaan van de rivier de uiterwaarden aangroeien. Het valt niet uit te sluiten dat ooit in Zeeland of in het Waddengebied een eiland “spontaan” boven water kwam en in cultuur gebracht werd (men denke aan eiland Grient in de Waddenzee), maar alleen in de Biesbosch was dit een normale zaak. Dit verklaart in ieder geval alvast dat men buiten het Biesboschgebied voor zo ver bekend geen eijerplaten of eijerzanden tegenkomt.
Ik denk dat “eier-” te verbinden valt met het oude woord “ei”, nl. ‘eiland’ (vgl. Oudengels “ige”, Oudijslands “ey” en “eyer” in het meervoud). De huidige Nederlandse standaardvorm “eiland” is eigenlijk een ontlening uit het Oudfries. In het Oudnederlands is in de Wachtendonckse Psalmen de vorm “âlendi” geattesteerd, wat in een aantal woorden en topotyniemen als -ouw,-ooi, of -oog (bv. Schiermonnikoog) verschijnt. Uiteindelijk gaan alle vormen terug op Proto-Germaans *agwjô- (reconstructie in de Etymologiebank) of *aujô- (reconstructie van Guus Kroonen in z’n “Etymological dictionary of Proto-Germanic”).
Eijerland op Texel heet wel degelijk zo omdat daar op grote schaal eieren werden geraapt. Dus waarom niet ook in de Biesbosch? De tegenargumenten die hier worden aangevoerd, houden geen steek.
Dat kan evenzeer een geval van volksetymologie zijn omdat het woord “ei” op zich in de zin van ‘eiland’ niet meer herkend werd.