
Aan de oever van de rivier van Ingrid Kluvers (2025) koos ik uit de slechts vijf of zes boeken die nog niet verdeeld waren, en niet tot mijn spijt. Weliswaar kwam het boek niet naar me toe als de voorbijdrijvende plastic schelp waar de romantitel naar verwijst, maar na Alara Adilow bleek het opnieuw een vrouwelijke openlijk niet-heteroseksuele auteur wiens verhaal mijn aandacht trok. Ik vond een ander soort boek dan ik uit eigen beweging zou kiezen, van een mij onbekende auteur.
Ingrid Kluvers was hoofdredacteur van verschillende tijdschriften, waaronder de Tina. In 1973 debuteerde zij als auteur van non-fictie met het stripboek Heb jij ook diabetes?, waarna zij in de jaren ’80 non-fictieboeken publiceerde over kinderen. In 2010 schreef Kluvers haar eerste jeugdroman en in 2023 verscheen Luikend, haar eerste roman voor volwassenen.
Confrontat
De proloog beschrijft hoe het hoofdpersonage met een verrekijker ’s nachts uit een raam van haar appartement kijkt. De zeventigjarige fanatieke amateurzwemmer Louise, roepnaam Lou, ziet iemand een blauwe plastic schelp de rivier de Amstel opduwen: ‘‘Mijn stem vervliegt in de lege ruimte, niemand hoort me. Met trillende vingers druk ik mijn verrekijker steviger tegen mijn ogen en draai aan het wieltje tussen de twee lenzen om een scherper beeld te krijgen’’. (7)
De hierboven beschreven reactie komt vreemd over. Lou voelt zich verantwoordelijk omdat zij de zelf opgedregde schelp ook naar de stort had kunnen brengen in plaats van het ding aan de oever te laten liggen. Maar allerlei verzachtende omstandigheden spelen mee ter verdediging van haar handelen, zo bedenkt zij zelf ook: de gemeente had het voorwerp kunnen ophalen, vanuit haar appartement kan zij weinig doen en in het donker is niet goed te zien wat er gebeurt. Daarbij: is de dreigende medeplichtigheid aan milieuverontreiniging een geloofwaardige reden om emotioneel te worden, getuige haar ‘trillende vingers’, nalatigheid en onvermogen? Het lijkt overdreven. Als zij een confrontatie met oude angsten zo lang heeft kunnen vermijden, waarom wordt er dan nu ineens wel iets in gang gezet? Voor Lou is er geen twijfel mogelijk: eropaf, het water in!
Het vervolg behandelt het dagelijks leven van Lou tegen de achtergrond van de voorbije coronapandemie. Tussendoor lezen we in flashbacks over haar kindertijd en latere leven, zoals over haar werk als arts en het overlijden van haar vrouw. Dit alles voorafgaand aan de vondst van de schelp.
Spookbeeld
Het dagelijks leven tijdens de coronapandemie wordt voelbaar gemaakt door twee zaken: ten eerste de beperkte bereikbaarheid en inzet van gemeentelijke diensten en ten tweede door een afwijkende tijdsbeleving. Van dit tweede punt is de volgende passage een voorbeeld: ‘‘Tergend stroperig verstrijken de minuten (…) Ik moet ophouden met het dwangmatig willen volgen van alle vormen van nieuws. Lees gewoon een vrolijk verhaal, houd ik mezelf voor’’. (55) De roman brengt de veranderde tijdsbeleving van Louise op een invoelbare manier in verband met diens reflecties op haar persoonlijke verleden. De keuze voor een ik-verteller faciliteert de ontwikkeling van sympathie voor een weinig opmerkelijk hoofdpersonage, hoewel de roman geen moment saai is.
De gebeurtenis uit de proloog keert terug aan het einde van het hoofdstuk genaamd ‘‘Wat voorafging’’. Een weinig verrassende keuze om van juist deze gebeurtenis het belang te benadrukken, aangezien deze gebeurtenis een proces in gang zet bij Lou wat de rest van de roman beschrijft. De tweede keer dat deze gebeurtenis wordt beschreven, verschilt niet veel van de eerste. Wel zijn de bewoordingen net weer anders: in plaats van de ‘‘trillende vingers’’ (7), draait Lou nu ‘‘driftig aan het wieltje tussen de lenzen’’ van de verrekijker (58). Het hoofpersonage zoekt haar woede in deze tweede beschrijving meer buiten zichzelf. Die woede richt zich nu meer op de figuur die zij door de verrekijker ziet. Daarbij spreekt Lou letterlijk van een dader, een woord dat schuld impliceert: ‘‘De dader lijkt nog een paar seconden te dralen op het grasveld en lost dan op in het halfdonker’’. (58) Opnieuw dringt zich bij mij het gevoel op dat er een alwetende verteller is, die al op de hoogte is van de inhoud van de schelp en de betekenis daarvan, terwijl Lou deze kennis nog niet kan hebben. Misschien is het de auteur die ik door de tekst heen hoor. Helemaal ongeloofwaardig is de passage ook niet. Het is alsof het hoofdpersonage haar herinnering opnieuw opdiept en uiteenzet voor de politie, als vooruitwijzing naar het onderdeel Spookbeeld ongeveer halverwege de roman.
Stijl
In de blauwe schelp vindt Lou een pasgeboren baby, die zij mee naar huis neemt. Enerzijds maakt Lou zich zorgen dat niet te kunnen achterhalen waar het kind vandaan komt, terwijl zij anderzijds juist voor het kind wil blijven zorgen: ‘‘‘Voorlopig blijft Moos bij mij, dat is zijn mensenrecht en mijn burgerplicht,’ zeg ik hardop. Meteen wordt er flink op mijn voordeur gebonkt. Ik schrik, zie me in een flits met Moos het balkon op vluchten’’. (108) Het hardop duiden van haar verzorging van de baby Moos, vernoemd naar de Bijbelse Mozes in zijn biezen mandje, als een recht en een plicht, rechtvaardigt voor haarzelf de keuze om Moos bij zich te houden. Zo doet Louise niet alleen wat goed is voor deze ander, maar komt Lou ook tegemoet aan de persoonlijke behoefte om een baby op te voeden als haar eigen kind. Het thema van gemist moederschap en de vraag of iemand zelfzuchtig mag zijn in de omgang met de emotionele pijn die daarvan het gevolg kan zijn, speelt een belangrijke rol in het boek.
Casper, echtgenoot van haar vriendin Noor, brengt de onderliggende oorzaak van die behoefte bij Lou ter sprake: ‘‘‘Acht wat leuk, dan zie ik Laura ook eindelijk eens,’ zegt Casper, en de vertedering in zijn stem klinkt oprecht. ‘Nee lieverd, dit is Mozes. Laura zou nu vierendertig zijn geweest’’. (109) In gedachten heeft het hoofdpersonage een verstandelijke verklaring paraat voor de directheid van Casper. Een emotionele confrontatie met haar onverwerkte verlies van Laura kan op deze manier worden voorkomen: ‘‘Hij knikt en lacht, waarschijnlijk is hij alweer vergeten wat hij net zei’’. (109)
Aan de oever van de rivier van Ingrid Kluvers is een leesbare roman over moederschap vanuit het perspectief van een gepensioneerde niet-heteroseksuele vrouw. De voorspelbare en soms ongeloofwaardige plotkeuzes worden gecompenseerd door de invoelbare manier waarop de roman het thema moederschap bespreekt. Het boek is mijns inziens vooral een aanrader voor minder geoefende lezers die graag lezen over de perspectieven van anderen en een opstapje zoeken om proza met een meer pretentieuze literaire stijl te leren waarderen.
Laat een reactie achter