Spoiler: heel nuttig, voor wie ‘m vasthoudt
Waarvoor dient literaire kwaliteit? Of laat ik eerst beginnen met: wat is literaire kwaliteit?
Ik had er laatst een discussie over met twee geleerde heren. We zaten in een lieflijke achttiende-eeuwse pastorale. Blauwe druifjes en narcissen staken pril hun kop op in het plantsoen, de avondschemering gloorde. Maar terwijl we onze woorden scherpten, begon ik steeds scheller te klinken. De futen in de gracht doken ervan onder en zwommen weg, zoals ook ikzelf had willen verdwijnen.
Want waarom had ik mijn argumenten niet paraat? Waarom kreeg ik de heren niet overtuigd van mijn scepsis ten aanzien van dat ronkende begrip “literaire kwaliteit”? En hoe kwam het dat zij, ogenschijnlijk moeiteloos, konden volhouden dat het een duidelijk en belangrijk criterium is terwijl ik het zo graag in de gracht wil mieteren?

Literaire kwaliteit, zo trapte ik af, is geen objectief gegeven, maar een cultureel, normatief kader. Het is afhankelijk van tijd, plaats en mens. Wat als waardevol geldt in de zeventiende eeuw, hoeft dat nu niet meer te zijn; wat in de westerse literaire traditie als hoogstaand geldt, kan in een oosterse onopgemerkt blijven; en wat wij zien, hangt ook nog eens af van wie we zijn: wat we hebben meegemaakt, wat we hebben leren waarderen, waar we gevoelig voor zijn of op wie we indruk willen maken.
Het is waar, een groep veellezers – noem hen recensenten, uitgevers, boekverkopers, wetenschappers – is het waarschijnlijk eens over een bepaald corpus aan teksten dat “literair” te noemen is (gebaseerd op bepaalde normen, daar kom ik zo op). Daarna zullen zij in hun schuttersputje duiken en hun munitie verschieten om hun persoonlijke favoriet te verdedigen.
Als we precies wisten wat literaire kwaliteit was, zou een jury voor een literaire prijs in een mum van tijd klaar zijn. Sterker: dan was er geen jury nodig, want dan hoefde slechts de literaire lat tevoorschijn gehaald te worden, legden we de teksten ernaast en zou het volstrekt duidelijk zijn, als bij een wiskundige som, welke tekst het meest literair was.
Zo werkt het dus niet. Abdelkader Benali zegt in aflevering 9 van de podcast-serie Historische Klassiekers: “Er is helemaal niemand in de Republiek der Letteren die weet wat kwaliteit is”. Er is volgens hem geen universele norm, sterker, de term ruikt naar zelfgenoegzaamheid. I couldn’t agree more: iedereen geeft aan literaire kwaliteit een andere invulling, maar gebruikt het ondertussen wel als uitsluitingsmechanisme.
Veel lezen
Wat was het advies van een van de geleerde heren? “Ik zeg altijd: je moet veel lezen, dan zie je het meteen.”
Echt?
Ten eerste. Veel lezen van wát? Van alles? Of alleen datgene wat al als literatuur wordt erkend? In dat laatste geval leer je vooral herkennen wat binnen een bestaande norm als waardevol geldt. Je leert de norm, niet noodzakelijkerwijs “literaire kwaliteit” (nog afgezien van het feit dat er nogal wat debat is over wat voldoet aan die norm, dus wat dan wel en wat niet te lezen?).
En zelfs dan: wat is “veel”? Wie overziet het geheel? Wie kan met recht zeggen dat zij of hij voldoende gelezen heeft om een oordeel te vellen over “de literatuur” en de kwaliteit daarin? We beschikken over één mensenleven. Dus lezen we selectief en vertrouwen op selectie door anderen, die zich weer voor een deel baseerden op de selectie van anderen, enzovoort.
Daar wordt het interessant. Want hoe komen – en kwamen – die anderen tot hun selectie? Tamelijk eenvoudig. Op dezelfde manier als iedereen: via opvoeding, opleiding, beïnvloeding. Wat ooit als waardevol werd aangemerkt, wordt doorgegeven, bevestigd, onderwezen en zo gereproduceerd. Dat bedoelde de geleerde heer natuurlijk: onderwijs jezelf.
Maarr… nu komt het: dat proces voltrekt zich niet neutraal. Neem Menno ter Braak, een mandarijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw, die vrouwelijke auteurs zonder veel gewetenswroeging onder de minzame noemer “damesroman” schaarde. Met één beweging schoof hij een aanzienlijk deel van het geschrevene van tafel. Simpelweg omdat het niet paste binnen zijn norm. Met als gevolg dat de geschiedschrijving veel van die vrouwen oversloeg.
Ikzelf ben natuurlijk evenmin vrij van zulke normatieve mechanismen, ook ik veeg als recensent wel eens iets van tafel. Ik las tenslotte van jongs af aan vooral mannelijke perspectieven. Op de lagere school kreeg ik een piemeltje aangemeten: de meeste jeugdboeken hadden een jongetje als hoofdpersoon. Op de middelbare school: de Grote Drie, de Tachtigers. Geen Hélène Swarth. Aan de universiteit: geen colleges over Anna Maria van Schurman, geen semester over Hella S. Haasse (die zou maar duffe briefromans schrijven). Wel uitvoerig aandacht voor één boek van Harry Mulisch. Als recensent volg je wat al als belangrijk geldt. Computationeel onderzoek van Corina Koolen laat zien dat boeken over mannen door mannen eerder tot de literaire top worden gerekend, dus die besprak ik.
Daar ga je met: veel lezen en dan weet je het meteen. Ik las veel, maar hoofdzakelijk boeken van mannen. Is dat erg?

Breder lezen
Veel, onmetelijk veel, is door mij ongelezen gebleven. Met name literatuur van andere culturen, maar ook van vrouwen. Ik heb namelijk selectief gelezen en vooral aan zelfbevestiging gedaan in mijn recensentenbestaan: boeken van schrijvers die ik kende, thema’s die ik kende, culturen die ik kende. Lekker veilig. Dat merkte ik toen ik een syllabus ging schrijven over Indonesische literatuur van vrouwen: door hen werden heel andere technieken gebruikt dan die ik kende. Daardoor keek ik in beginsel op die teksten neer: ze voldeden niet aan de literaire kwaliteit die ik had aangeleerd.
Daar openbaart zich de kern: wie veel leest binnen één kader, leert dat kader verfijnen. Maar wat daarbuiten valt, blijft structureel buiten je blikveld en waardering. Of wordt afgewezen. Jacqueline Blom zegt het bij Stichting vrouwen in beeld stelliger, als lezer heb je ook een verantwoordelijkheid: iedere keer dat je het hebt over een verhaal waarin een vrouw wordt gemarginaliseerd, herhaal je dat beeld en versterk je de norm. Het goede nieuws is dat normen kunnen verschuiven: je hóeft de norm niet te herhalen. #leeseenseenvrouw is niet voor niets een slogan van FixDit.
Nu ik andere literatuur lees, verandert mijn oordeel. Auteurs die ik ooit bewonderde – Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch – vallen wat tegen. Het meeste werk van mannelijke auteurs blijft voor mijn gevoel ingesnoerd in een korset, alsof de wereld er geen plek in heeft gekregen. Alsof het gaat om positie bepalen, kunstjes opvoeren. Alsof er bewezen moet worden dat het korset past. Dat is pijnlijk om te zeggen in mannelijk geleerd gezelschap. De heren waren het uiteraard niet met me eens. Maar tja, na “veel lezen” was dit mijn criterium voor literaire kwaliteit geworden. Niet dat ik beter lees. Ik lees breder. Daardoor ontwikkelde ik een andere norm dan zij.
De historische meetlat
De geleerde heren, die goed ingevoerd zijn in de geschiedenis, baseren zich denk ik vooral op het verleden, op de opeengestapelde bevestiging van de norm. Het literaire bedrijf zoals wij dat kennen, is natuurlijk niet als een Big Bang ontstaan. Het vormde zich geleidelijk, in de zeventiende eeuw vooral binnen onderwijsstructuren als de Latijnse school en de prille universiteiten. Die waren beiden tot in de twintigste eeuw exclusief toegankelijk voor jongetjes. De maatschappij was patriarchaal georganiseerd, mannen hadden op de meest invloedrijke vlakken beslissingsrecht en klaarblijkelijk werd literatuur toen zo belangrijk gevonden dat mannen ook daarin graag de dienst wilden uitmaken. In de praktijk kwam dat neer op een mannelijke elite met een ballotage-commissie van mannelijke mandarijnen. De mandarijnen bepaalden in hoge mate voor iedereen (dus ook voor mannen) wat literatuur was.
De literaire normen die door de eeuwen heen werden doorgegeven zijn voor een groot deel ontleend aan die oude retorische tradities. Tenminste, ik zie ze terug in de eigenschappen die Marianne Vogel met haar onderzoek uit 2001 destilleerde uit recensies van de jaren vijftig en negentig. Deze eigenschappen leidden tot literaire lof: beknoptheid, overzicht, beheersing, vormkracht, kritische analyse, rationale instelling, kracht, hardheid en agressie. Vogel onderbouwt in haar studie waarom dit expliciet mannelijke literaire normen zijn.
Aan die eigenschappen probeert iedere schrijver die wil meetellen te voldoen, wat ook de (mannelijke) norm weer versterkt. Het opvallende is dat de onderzoeken van Vogel én Koolen onafhankelijk van elkaar laten zien dat deze mannelijke normen positief afstralen op mannelijke auteurs, maar negatief op vrouwelijke. En dat vrouwelijke normen positief afstralen op mannelijke auteurs, maar negatief op vrouwelijke. Bijvoorbeeld: een man die schrijft over filosofische onderwerpen is doorgaans intelligent, een vrouw doet al gauw aan filosofietjes; een man die schrijft over kinderen is dapper, een vrouw schrijft te autobiografisch. Overigens schrijven vrouwen én mannen beiden hoofdzakelijk over relaties en liefde, in de onderwerpskeuze zit nauwelijks verschil.
Ik moet denken aan Mary Beard, die stelde: “You cannot easily fit in women into a structure that is already coded as male.” De structuur van het literaire bedrijf legt een mannelijke vorm van schrijven op, waardoor wat daar niet in past moeilijker als literair wordt herkend. Vrouwen mogen mee-doen aan die norm. Maar mogen zij die norm ook oprekken? Of is het nog steeds zo, als zij bijvoorbeeld autobiografisch schrijven, dat iedere gram autobiografie met een lantaarntje gezocht wordt om het totaal aantal grammen autobiografie vervolgens af te kunnen trekken van de literaire kwaliteit? Literaire kwaliteit lijkt wel universeel, maar functioneert als een toegangssysteem met een ballotage-commissie.
Omdat we er vanuit gaan dat iedere schrijver de norm wil omarmen, of omdat we zoals de geleerde heren alleen naar de norm (willen) kijken, hebben we het in de vroegmoderne tijd steeds over vrouwen die “meedoen”. Die zich dus willen conformeren aan de mannelijke literaire norm. Veel vrouwen wilden zeker gezien worden door de mannen die binnen het literaire bedrijf de dienst uitmaakten en voelden zich gevlijd toen ze tot de rangen van de literatuur werden toegelaten. Dat merk je aan de manier waarop ze om bevestiging vragen en zich bescheiden opstellen. Tegelijk denk ik dat sommige vrouwen dat bescheidenheidstopos voor het lolletje gebruikten. Of omdat het nu eenmaal hoorde, dus ja, vooruit maar. Mannen gebruikten het namelijk ook. Bovendien: er bestond nog een hele wereld aan teksten buiten de literaire norm, ook van mannen. En ik kan me zomaar voorstellen dat er genoeg vrouwen waren – zoals Tesselschade Roemers en Betje Wolff – die helemaal niet uit waren op erkenning door het literaire gilde, maar die gewoon hun eigen ding deden (net als Haasse zoveel eeuwen later). Tenslotte kon Wolff – door het loslaten van de norm – samen met Aagje Deken iets heel nieuws doen in de Nederlandstalige literatuur: een briefroman schrijven.
Vele kamers
Tot slot. Wat mij stoort aan het begrip literaire kwaliteit is niet alleen dat het tot absolute, algemene norm is verheven, maar ook dat het werkt als een systeem van schaarste, van uitsluiting. Als een autoriteit die beslist wie er wel en niet bij hoort, tot dat exclusieve clubje uitverkorenen. Alsof literatuur een terrein is met beperkte ruimte, terwijl die beperking vooral wordt georganiseerd door instituties – door prijzen, canonvorming en kritiek – en niet door de literatuur zélf, die juist overvloedig en veelstemmig is. Kijk maar naar het feit dat vrouwelijke auteurs al decennialang sterk vertegenwoordigd zijn op bestsellerlijsten, terwijl ze binnen het literaire waardesysteem structureel minder erkenning krijgen. Moeten teksten met elkaar concurreren om “erbij” te horen? Is literatuur niet een huis met vele kamers die allen anders zijn? Het is zo onhandig, een beetje zielig ook om steeds te willen selecteren op basis van al die subjectiviteit en vooringenomenheid. Ik vraag me dan ook af welk doel het dient om het onderscheid überhaupt aan te brengen.
Waarom hebben we het niet gewoon over teksten, die geschreven zijn door mensen die ons iets wilden vertellen? Die hun best hebben gedaan, of ze nu man of vrouw zijn, of iets er tussenin, om hun pen in de inkt te dopen en hun ideeën over het leven en de wereld prijs te geven. In het ene tijdvak is het ene soort teksten relevant en interessant en in het andere tijdvak resoneren andere teksten uit het verleden. Omdat de situatie daarin op de onze lijkt of omdat onze harten worden geraakt of er iets schuurt en begint te bewegen in ons brein.
Een wereld zonder vanzelfsprekende (door mannelijke normen gevoede) maatstaf, zonder mandarijnen, vraagt iets anders: niet langer het herkennen van literaire kwaliteit als een gegeven, niet het onderscheid maken tussen literatuur en lectuur, iets uitsluiten en insluiten en je eigen status als beoordelaar daarmee vergroten, maar je rekenschap geven van je oordeel. Wat dóet die literaire kwaliteit er eigenlijk toe? Waarom oordeel je eigenlijk? Wat is het nut ervan? Hebben we het nodig omdat het corpus aan teksten uit het verleden anders te groot is om te bestuderen? Dat lijkt me eerder goed nieuws dan slecht.
Laat toch los, durf. Neem een tekst zoals die naar je toekomt en omarm die, zuig ‘m op, lees, eet de woorden. Zie wat een auteur aan techniek te berde brengt om jou in het verhaal mee te krijgen. Daar zit je plezier: in de analyse, in het begrip, in de brug die je slaat. En geloof me, de literaire meetlat in de plomp gooien is heel bevrijdend. Al is het maar omdat je dan eindelijk kunt zien wat er altijd al was, maar voortdurend buiten beeld bleef. Je wereld wordt er zoveel rijker van.
Laat een reactie achter