Mij, meervoud?

In het begin van het jaar verscheen Tussen mij, een nieuwe dichtbundel van Maria Barnas. Over enkele gedichten uit die bundel is al wel geschreven, onder meer op deze site door Marc van Oostendorp. Eerdere bundels van Barnas mochten rekenen op waarderende recensies, vaak van de hand van collega-dichters zoals Paul Demets, Peter Swanborn en Willem Thies. Deze besprekingen laten zien dat haar werk door collega-dichters hoog wordt aangeslagen.
Aan De Gids en NRC Handelsblad draagt Maria Barnas zelf bij met uitgebreide en intelligente poëziebesprekingen. Met haar gedichten en recensies neemt zij in het landschap van dichters ontegenzeglijk een prominente plaats in. In het werk van anderen onderscheidt zij meer dan eens thema’s en benaderingen die sterk verwant zijn aan dat wat voor haar eigen werk van belang is. Wellicht onbedoeld reiken haar recensies sleutels aan voor een goed verstaan van haar poëzie. Zij schrijft ook essays, soms verhalend dan weer analytisch, soms beide. In die essays laat Maria Barnas zich ook kennen als beeldend kunstenaar.
In 2018 onderwierp zij in De Gids het werk van Alex van Warmerdam, zijn films en verhalen, aan nadere studie. Met een aansprekende beginselverklaring trapte zij af:
Ik wil het werk van Van Warmerdam traag en met aandacht tegemoet treden, zoals ik een onvoorspelbaar, slapend dier zou benaderen.
Of we het werk van Maria Barnas ook als ‘een onvoorspelbaar, slapend dier’ mogen beschouwen? De verwondering begin al met de titel van de bundel: Tussen mij. Het voorzetsel ‘tussen’ veronderstelt de aanwezigheid van een meervoud: tussen start en finish, tussen jou en mij. In de titel is slechts sprake van ‘mij’ en niemand of niets anders.
Afgebakend
In onze beschouwing stellen we ons de vraag hoe dit ‘tussen mij’ begrepen moet of kan worden. Uiteraard zullen we daarbij kijken naar het titelgedicht ‘Tussen mij’, aanwezig in de vierde afdeling van de bundel. In eerste instantie richten we ons echter op de eerste afdeling van haar bundel. Bij het zoeken naar betekenis willen we ‘traag en met aandacht’ te werk gaan.
Die eerste afdeling van de bundel is getiteld ‘Ssshr’ en telt negen gedichten, waarvan het eerste ook de titel van de afdeling draagt. Die titel ‘Ssshr’ lijkt op het geluid van de shredder, die in dat eerste gedicht optreedt: een onomatopee. In de daaropvolgende gedichten komt de shredder niet voor, maar dat de afdeling als geheel luistert naar het geluid van de shredder geeft wel te denken. De shredder versnippert, vermaalt en vernietigt.
Op het eerste gezicht lijkt een eenvoudige samenhang tussen de negen gedichten te ontbreken: het dier slaapt nog. Al is de samenhang in de reeks van negen dan niet direct duidelijk, tussen bepaalde gedichten zijn er zeker wel verbindingen. In het openingsgedicht ‘Ssshr’ treden slakken op, in het daaropvolgende ‘Uitbotten’ is er een ‘slijmspoor’, een verband wordt zo zichtbaar. Sterker nog is het verband tussen dat tweede en het derde gedicht: ‘Uitbotten’ besluit met de vraag of het daar is ‘waar de doden vallen’, het derde gedicht heeft als titel ‘Doden vallen niet’ en opent met het distichon ‘Het zijn niet de doden die vallen / zeggen de moeders’. Net als in ‘Uitbotten’ komen in ‘Vlucht’ en ‘Wij’ vleugels voor. Het gaat hier om verbindingen tussen twee of drie van de negen gedichten, niet krachtig genoeg om van een hecht verband tussen de negen gedichten te spreken. Het ‘slapend dier’ is – we zijn gewaarschuwd – ook ‘onvoorspelbaar’. Het is daarom goed om bij de beschouwing van de afdeling ‘Shhhr’ (voorlopig) afscheid te nemen van de ambitie om in de negen gedichten een krachtig samenhangende ‘reeks’ te willen zien, eentje met een duidelijk begin, midden en slot. Negen gedichten en toch een eenheid? Misschien is de samenhang er desondanks, zij het minder dwingend.
In drie gedichten zijn er vleugels, in liefst vier van de negen is sprake van de tuin als ruimte en in zes van de negen komen dieren voor. Ook in de latere afdelingen van de bundel treffen we dieren aan, terwijl de tuin pas in de vierde afdeling weer een paar keer voorkomt. De tuin, de in cultuur gebrachte natuur, lijkt daarmee voor die eerste afdeling kenmerkender dan de dieren. De wereld is in die afdeling afgebakend en overgeleverd aan menselijk beheer.
Metamorfosen
In die tuinen vinden we behalve dieren (slakken, zwijnen, vogels, pauwen, struisvogels) ook mensen, veelal vrouwen. Die mensen veranderen in de gedichten opvallend van gedaante en zij wisselen daarbij van positie. In het eerste gedicht bijvoorbeeld is er in de eerste strofe een ‘je’ actief in een ‘tuin vol leugens’, maar die ‘je’ lijkt in de vierde strofe gespiegeld in ‘een vrouw’, van een perspectief dat het midden houdt tussen eerste, tweede en derde persoon enkelvoud naar een perspectief dat onmiskenbaar derde persoon enkelvoud is. Met het ‘je’ in de eerste strofe kan immers behalve ‘jij’ ook ‘men’ en ‘ik’ bedoeld zijn, dat laatste dan zoals sommige voetballers over hun wedstrijdervaring spreken: ‘dan sta je voor de keeper en dan geef je een wippertje’. In strofe vijf en zes is ‘ze’ derde persoon enkelvoud, om in de zevende te verrijzen in de eerste persoon enkelvoud. Het heeft er alle schijn van dat de tuinierster uit de eerste strofe vereenzelvigd mag worden met de ‘vrouw’, ‘aan de rand van de afgrond’, en vervolgens met de ‘ik’ die zich uitschakelt en een slak oppakt.
Mag dit een metamorfose heten of veeleer de aanzet tot een metamorfose? Of gaat het hier om een reeks metamorfoses? Of is hier sprake een wisseling van perspectieven? Misschien wel beide. Die perspectiefwisselingen komen we ook in andere gedichten uit de reeks tegen, maar dat geldt eveneens voor andere veranderingen, wonderbaarlijke gedaanteverwisselingen, zoals bij de ogenschijnlijk dode vogel (in het gedicht ‘Vlucht’) die zich plots bevrijdt uit de greep van de ik, weg schiet en de ik achter laat met ‘een vleugel in elke hand’: de dode vogel is als een feniks herrezen, maar laat zijn vleugels achter. Dat het gedicht haast sprookjesachtig opent met ‘Er was een vogel’ zet dan misschien wel de toon waarbij het onmogelijke mogelijk is. In de gedichten ‘Manieren’ en ‘Wil je mijn obstakel zijn?’ is evident sprake van een droom. In sprookjes en dromen, en misschien ook wel in gedichten, is alles mogelijk.
In het gedicht ‘Wij’ krijgt een gedaanteverwisseling – ‘Mijn borstkas bolde op en zweefde los / als een ballon’ – een vervolg in een verandering van het ‘ik’: ‘Ik was mezelf en toch ook alle anderen’. Kort daarop blijkt de ‘ik’ afscheid te nemen van de ‘eigen contouren’ en een vaste voornaam (Maria heten en Mariken genoemd worden). Deze opsplitsing van het ‘ik’ lijkt een vervolg op de metamorfosen in het eerste gedicht.
Haperende vraag
Die metamorfosen gelden in de eerste plaats het subject: van enkelvoud naar veelvoud en van persoon naar ding (van moeder naar obstakel). In deze eerste afdeling lijkt een zekere voorkeur uit te gaan naar nog een andere transformatie, waar het subject een boom wordt: ‘Mijn lijnen groeiden als takken’. Verwante transformaties zijn die van vingers in slakken (aan het slot van het eerste gedicht) en van armen in stronkachtige vertakkingen (in ‘Waken’). De extreemste verandering is die van de uitschakeling en vernietiging, zoals die in het eerste gedicht optreedt.
Uitschakeling en gedaanteveranderingen vinden in de reeks ‘Ssshr’ een bijzondere talige vorm: de gedichten eindigen in deze reeks zonder punt, er zijn opvallend veel vraagtekens, twaalf welgeteld, en een groot aantal ontkennende woorden (zoals ‘niet’). Het welsprekendst is misschien wel de ongrammaticale woordcombinatie ‘en maar’, opsommend en tegenstellend, die tot tweemaal toe in het openingsgedicht van de bundel voorkomt.
Die woordcombinatie ‘en maar’ keert terug in het gedicht ‘Tussen mij’ in de vierde afdeling het gedicht dat ook de naam van de bundel draagt. Een extra reden om dit ene gedicht naast de gedichten van de eerste afdeling te leggen. In ‘Tussen mij’ klinkt de stem van de ik ‘schel van moeder-zijn’. Tijdens een tocht door een droomlandschap, waar niets is wat het lijkt, vertelt deze ik aan een ‘ze’ op ‘de achterbank’ over de baarmoeder. Die baarmoeder verschijnt hier als ‘een andere vrouw / die weet hoe je kinderen ter wereld brengt’. Als in een sprookje verschijnt een baarmoeder, ‘die Uterus heette’. Een afsplitsing van de ‘ik’? Afsplitsing of niet, beide zijn op zoek, de een zoekt een kind, de ander naar een geschikte plaats om te schrijven. Voor dat laatste lijkt een picknicktafel in de berm ‘niet ondenkbaar’: ‘En / maar / hoe moet er iets ontstaan / op een plek die door anderen is klaargezet?’ Een haperende vraag naar vrijheid, beweeglijkheid, mogelijkheid, zowel in taal als in zijn.
In de eerste reeks van de bundel, misschien ook wel in de hele bundel, zien we als lezer een subject dat het ontbreekt aan vaste contouren. Zoals het slot van het gedicht ‘Tussen mij’ het wil: ‘de afstand tussen mij en mijn / te wijd de afstand / tussen mij’; het ik is een meervoud. De contouren van het subject mogen dan zijn uitgewist, dat subject is intussen evident vrouwelijk en meer dan eens een moeder. Een vast omlijnde identiteit blijkt een illusie of zelfs een leugen, dat behoort tot het domein van het ‘niet’. Wel opent zich in Barnas’ gedichten een universum van mogelijkheden, vol van gedaanteverwisselingen en perspectiefveranderingen. Tussen mij laat de dichter zien als taaltovenaar, met de aanvaarding van ‘mij’ en zichzelf als meervoud. Vast staat in Barnas’ wereld niets, alles en iedereen beweegt, het is de rijkdom van het onvoltooide, van dat wat open blijft
Laat een reactie achter