
Adriaan Duiveman is een van mijn favoriete columnisten. Hij schrijft zolang een landelijke krant hem nog niet heeft ontdekt in onze universiteitskrant Vox. Hij doet alles wat een mens wil van een column: een scherpe analyse maken met een net wat onverwachte invalshoek, en dat uitstekend opschrijven.
Het is dan ook een hele eer als hij een stukje – deels – wijdt aan iets wat ik heb geschreven. Precies een week geleden vertelde ik hier over het ideaal dat universitair medewerkers zouden worden aangemoedigd om minder te publiceren in plaats van almaar meer. Daar zijn volgens mij goede argumenten voor, zoals dat het huidige systeem aan alle kanten piept en kraakt. Er verschijnen zoveel publicaties dat niemand ze meer leest, en van veel onderzoekers kun je vermoeden dat ze meer bezig zijn met het schema inleiding-methode-resultaten-conclusie in te vullen dan met nadenken over hoe hun stukje van de wereld nu eigenlijk in mekaar zit.
Maar daar is Duiveman het niet mee eens. Volgens hem moeten wetenschappers nog veel méér publiceren, hoe meer hoe beter. Als je 1000 artikelen schrijft is de kans groter dat er een briljant stuk bij zit dan wanneer je maar 1 artikel schrijft. Hij verwijst naar een experiment waarbij de ene groep proefpersonen onbeperkt mocht klikken met hun fotoapparaat, terwijl de anderen slechts heel beperkt de sluiter mocht openen. De eerste groep bleek mooiere foto’s te hebben gemaakt.
Dat is goed gevonden, maar er valt ook wel het een en ander op af te dingen. Zo werden de veelfotografen in het experiment natuurlijk niet aangemoedigd om al hun foto’s te laten zien. Ze maakten een selectie, en die selectie bleek mooier dan die van hun zuiniger collega’s. Maar dan kun je zeggen dat het maken van die selectie ook hoort bij het maken van een foto. En zo werkt het mogelijk ook met schrijven: ja, wetenschappers moeten vooral heel veel op hun laptopje typen, geen beter wetenschapper dan de wetenschapper die een paar uur per dag haar vingers over het toetsenbord laat dansen. De ware onderzoeker herken je aan de gespierde duimen die almaar op de spatiebalk hameren. Alleen: de vraag is of dat dan allemaal gepubliceerd moet worden.
Of, nou ja. Men kan zich afvragen of wat ik nu aan het doen ben, dan ook niet verboden moet worden. Maar dit schrijven is een vorm van praten. Tijdschriften als Neerlandistiek beschouw ik als moderne pendanten van de oude geleerde correspondenties. Ik schrijf hier mijn dagelijkse brief aan de andere neerlandici. Dat is geen echte, serieuze publicatie. En dat mag dus. Het gaat om het apparaat van artikelen waar enorme moeite in wordt gestoken – allerlei reviewers lezen het zorgvuldig door, dan komt er nog allerlei eindredactie aan te pas, uitvoerige correspondentie over toepassing van de Oxford comma in deze of gene alinea, en dan een fase waarin een of andere Zuid-Aziatische zetter de tekst helemaal door de war gooit. Waarna er ook nog een index gemaakt wordt van het gebodene.
Met andere woorden, het soort publiceren dat het digitale equivalent is van het in steen beitelen van de tekst.
Dat moet allemaal natuurlijk ook gebeuren. Soms heeft iemand een echt resultaat bereikt, en dan moet dat vastgelegd worden op zo’n manier dat iedereen het in detail kan bestuderen. Soms maakt iemand een foto die best mag worden ingelijst – maar de fotograaf die iedere dag een foto laat inlijsten, maakt een vergissing.
Laat een reactie achter