Man en kan rijmen op elkaar. Wie de Nederlandse poëzie overziet, komt dat paar dan ook honderden keren tegen — van Vondel tot Bilderdijk, van psalmberijmingen tot rederijkerskamers. Maar er is iets eigenaardigs aan de hand. In bijna tweederde van de gevallen staat man op de eerste regel en kan op de tweede. Andersom komt veel minder vaak voor. En die asymmetrie vinden we niet alleen in dit geval.
Al sinds de jaren zeventig weten we dat de volgorde van woorden in vaste woordparen niet willekeurig is. We zeggen water en brood, niet brood en water, Laurel en Hardy en niet Hardy en Laurel. Hier doet zich dezelfde vraag voor: waarom die volgorde en niet een andere? Onderzoekers als Cooper & Ross stelden in 1975 dat het kortere woord de neiging heeft voorop te gaan, net als het frequentere (‘gewonere’) woord, en sindsdien is er meer onderzoek naar deze intrigerende vraag gedaan. Zou datzelfde mechanisme ook een rol kunnen spelen bij rijmwoorden? Die staan natuurlijk wat verder uit elkaar, maar misschien spelen soortgelijke overwegingen toch ook een rol?
Om dat te onderzoeken hebben we gedichten nodig. Het is niet ingewikkeld om automatisch 2,5 miljoen eindrijmparen uit duizenden gedichten in de DBNL op te halen, ik daar hier al vaker over geschreven. De vraag is dan: als twee woorden op elkaar rijmen, welk woord komt dan eerder in de tekst? En kunnen we daar vervolgens een verklaring voor vinden?
Het antwoord is: ja, al is het effect niet zo groot.
Van de negen factoren die ik testte — woordlengte in termen van letters en van lettergrepen, woordfrequentie (hoe vaak komt het woord uperhaupt voor), klemtoonpositie, de lengte van het deel van het woord dat niet rijmt (de ‘onset’), rijmbuurtgrootte (hoeveel verschillende woorden rijmen er eigenlijk op deze woorden), complexiteit (hoeveel voor- en achtervoegsels zitten er in het woord), en of het woord al eerder in de tekst was gebruikt — bleken er zeven een effect te hebben. Het eerste rijmwoord is gemiddeld iets korter, iets frequenter, heeft iets vroegere klemtoon en een iets kortere onset. Maar de effecten zijn heel erg klein. Bij 2,4 miljoen rijmparen (want zoveel had ik er gevonden) is zelfs het kleinste verschil statistisch significant.

Toch zit er een verrassend patroon in al die kleine effectjes. De factoren splitsen zich namelijk in twee groepen die verschillend reageren op de afstand tussen de rijmregels. Factoren die iets te maken hebben met de klank van het woord (‘fonologische factoren’ zoals woordlengte, klemtoon, onset) zijn het sterkst als de rijmwoorden vlak bij elkaar staan, in een rijmpaar als AABB. Maar frequentie en de vraag of het woord al eerder voorkwam zijn juist het sterkst bij gekruist rijm (ABAB), als er een regel tussen zit. Het frequentie-effect is bij gekruist rijm zelfs meer dan tweemaal zo sterk als bij gepaard rijm.

Hoe dit te verklaren? Ik denk dat er verschillende mechanismen in het spel zijn. Bij gepaard rijm staan de woorden direct na elkaar en speelt de klank een rol — het lichtere woord gaat voorop. Maar bij gekruist rijm wordt geheugen van belang: de dichter plaatst eerst een alledaags, frequent woord als anker en moet daarna een zeldzamer rijmwoord uit het geheugen opvissen.
Zijn dit grote ontdekkingen? Ik geloof niet dat ik hier nu een wetenschappelijk artikel over schrijven kan. En individuele dichterlijke keuzes verklaren ze in ieder geval niet. Ik vermoed dat er nog betere ordenende principes te vinden zijn. Maar in de ogenschijnlijk vrije keuze van de dichter zit in ieder geval een subtiel patroon, en dat vond ik dit Paasweekeinde in ieder geval de moeite waard.
Heel interessant. Ik heb zelf nogal vaak met het rijmende bijltje moeten kappen. Gepaard of gekruist rijm maakt best wat uit. Gepaard is dwingender, stampender; gekruist heeft telkens een frappe, in elk geval op de even regels (4, 8, 12 etc) – en dan is het (voor mij) zaak de rijmende regel, en helemaal de vierde van een kwatrijn, zo natuurlijk mogelijk te maken: de bijzonderdere rijmwoorden naar voren halen dus. Andersom geeft al snel een gewrochte indruk. Maar kennelijk gebeurt dat toch het meeste, blijkens jouw onderzoek. In elk geval lijkt het me ook van belang waar welke rijmwoorden staan, op 1 en 3 of op 2 en 4. Ik heb er veel mee te maken gehad toen ik de (kinder)gedichten van Charms vertaalde, een veertigdelige reeks op mijn blog, in boekvorm bij M10 verschenen (Hé, waar zijn mijn kindjes). In deze, gelinkte blog, staat iets over het probleem: https://vandaagsvertaalprobleem.blogspot.com/2022/06/181-het-verhaal-van-de-wielvormige.html
Dank! Dat verschil tussen 1 / 3 en 2 / 4 (in kwatrijnen neem ik aan) zal ik ook nog eens meenemen; het rijm aan het eind van een strofe is natuurlijk het allerprominentst van allemaal.
Mogelijk is het onderbewuste een oorspitsende machine en een op het netvlies geprojecteerde taalmachine. Elke schrijver fabuleert met de variabelen. De schrijver haalt zijn voordeel uit wat de andere schrijver – zijn (binnen)brein schrijft. Ik denk dat je in het binnenbrein geen 2,5 miljoen woorden kunt vinden. Oh, wat is taal toch een feest; ondanks alle afspraken komt er toch steeds een variabele bij.
Een toevoeging: We moeten daarom een representatiesysteem toeschrijven aan organismen vóór cognitie en het taaldenken. Kunstenaars gaan hieraan voorbij en in elke interview hebben ze het over: iets in mijn hoofd ontstond, iets dat ikzelf niet had bedacht, ik had er niet eens een vermoeden, ineens was er iets etc. Nooit staan ze erbij stil om er eens bij stil te staan!
Ja, Robbert-Jan, het bijzondere rijmwoord naar voren halen is verzonnen door Drs. P.
Als je het bijzondere woord als tweede neemt, lijkt het al snel op rijmdwang.
Is het ook mogelijk om de articulatieplaats van de rijmklinker mee te nemen (voor-hoog/achter-laag)? Dat werd bij de woord-duo’s ook gedaan. Misschien speelt ook de lengte van de rijmende lettergreep een rol. Bij merknaamkoppels als Villeroy & Boch, Heckler und Koch en Abercrombie & Fitch heb ik het idee dat meespeelt dat je de eindklank een beetje aan kunt houden, maar dat wordt geloof ik nooit specifiek genoemd. Bij het koppel ’tevreden of legen’- ‘villaatjes ertegen’ is de keuze van Bloem gebaseerd op de regel dat een meest gezochte woord eerst komt. Hetzelfde denk ik bij ‘Comme la vie est lente / Et comme l’Espérance est violente’.
Misschien moeten we ook kijken naar minder hoog begaafde dichters en liedjesschrijvers. Willem Wilmink gaf altijd graag het voorbeeld van een oprechte maar ongeletterde ziel die zijn gevoel uitdrukte met de vraag: “Waarom voel ik mij zo eenzaam en verlaten?”. Wat moet daar op volgen, het moet wel rijmen. Wat rijmt er op ‘verlaten”. Ik weet het niet, ik weet het niet. ‘Straten!’.
“Waarom voel ik mij zo eenzaam en verlaten?
Ik weet het niet, ik weet het niet
Waarom loop ik hier zo eenzaam door de straten?
Ik weet het niet. Waarom?”
(André van Duin op de cd “Dit ben ik” CNR 2017)
Maar bij Van Duin is het lied parodistisch bedoeld, wat te meer een bewijs is dat de combinatie verlaten-straten een herkenbaar cliché is.
Jacques Klöters
Ja, dat moet zeker. Inderdaad doet zich bij wat ik nu getest heb de vraag voor of de dichters in de DBNL niet vooral tegen een soort natuurlijke neiging ingingen. Wat ik ook nog een keer wil doen: hoe het zit in proza, of als man en kan daar bij elkaar in de buurt staan, je dezelfde asymmetrie vindt.
Als een van de twee rijmwoorden in absolute zin frequenter is, maakt dat de kans sowieso groter dat het voorkomt, ook aan het eind van de regel, en dus ook als eerste rijmwoord zou ik zeggen. Het tweede rijmwoord is altijd (ook) afhankelijk van het eerste.
Dit begrijp ik niet. ALs een rijmwoord in absolute zin frequenter is, is de kans óók groter dat het als tweede rijmwoord voorkomt.
Dat lijkt me niet, althans niet helemaal. Stel dat je het laatste woord van een regel beschouwt als een trekking met een bepaalde kans, dan betreft het geen onafhankelijke trekkingen. Het eerste woord heeft een absolute kans, het tweede woord is pas een rijmwoord als het rijmt op het eerste woord. Als je de absolute kans van het tweede woord neemt, dan zitten er ook trekkingen bij waarin het niet rijmt op het woord van de eerste trekking.
Oké, ik snap wat je bedoelt. Dat gaat er dan wel vanuit dat de dichter (meestal) eerst de eerste regel bedenkt en daarna de tweede. Ik vraag me af of dat (zeker in dit corpus) zo is.