Joke Brasser raakt het hart van het vak Nederlands

De laatste jaren kijken we steeds vaker naar het Nederlandse literatuuronderwijs als een vak in crisis: dalende leesvaardigheid, zichtbaar in dramatische PISA-scores en een onderwijspraktijk die onder druk staat van efficiëntiedenken en de snelle opkomst van AI. Historische letterkunde is daarbij het ondergeschoven kindje: aan de Middeleeuwen besteden docenten nog de meeste aandacht, de zeventiende eeuw moet het doen met drie mannelijke auteurs en de achttiende met twee titels.
Braakliggend terrein dus. Het gaat misschien wat ver om in de teloorgang van de aandacht voor historische teksten de teloorgang van leesvaardigheid van leerlingen te zien, maar toch hangt het wel samen. Het Ministerie van Onderwijs zag dat gelukkig ook en schrijft daarom als nieuwe eindterm voor dat leerlingen historische teksten moeten lezen. En juist AI biedt daarbij een uitgelezen kans om datgene te versterken wat níet te automatiseren valt: interpretatie, verbeelding, historisch besef.
Knoeien en stoeien
Nieuwe kansen dus voor de letterkunde. En wat een geluk dat juist nu het boek van Joke Brasser is verschenen, Oude teksten voor jonge lezers. Want Brasser laat heel opgeruimd en duidelijk zien hoe het wél kan: de complexiteit van literatuur eren en tot leven brengen en daarmee jongeren afleveren die zich op school ten volle kunnen ontplooien.
Brasser beperkt zich tot de middeleeuwse letterkunde, maar haar methode is breder toepasbaar. Haar aanpak vertrekt vanuit de voorkennis en belevingswereld van leerlingen. Voordat ze begint over Van den vos Reynaerde, stelt ze vragen die iedere leerling kan beantwoorden: welke vossen kennen jullie? In welke verhalen komen ze voor? Welke rollen vervullen ze? Leerlingen denken aan films, aan afbeeldingen of TikToks en benoemen eigenschappen die steeds terugkeren: sluwheid, list, speelsheid. Vanuit die gedeelde kennis wordt de stap naar de middeleeuwse tekst geen sprong in het onbekende, maar breidt Brasser het al bestaande netwerk van betekenissen uit. Die beweging geeft ze nog een duwtje met concrete opdrachten: schrijf een brief aan de vos alsof je de gravin der kippen bent, met het verzoek haar onderdanen met rust te laten. Zo laat ze de historische tekst niet alleen lezen, maar ook bewerken en beantwoorden: de jongeren mogen ermee knoeien en stoeien en krijgen het verhaal zo in de vingers.
Revolver
Cruciaal in Brassers aanpak is het leggen van verbanden, in alle opzichten. Contexten noemt ze die. Teksten verwijzen naar elkaar, bouwen op elkaar voort, spreken elkaar tegen. Vanuit een middeleeuwse tekst als Mariken van Nieumeghen kun je lijnen trekken naar modern werk, naar De wetten van Connie Palmen of Nim van Persis Bekkering. Op die manier maakt Brasser duidelijk dat de literatuurgeschiedenis geen afgesloten canon is, maar een levend organisme waar je zelf deel van uitmaakt door te associëren. Zoals ze schrijft: “Literatuurgeschiedenis is een verhaal dat je zelf creëert door lijnen van verwantschap te trekken tussen teksten”. In die zin schuilt een belangrijk didactisch principe: leesplezier ontstaat niet alleen door herkenning (waar heel wat didactische methoden in blijven steken), maar juist door het ontdekken van onverwachte verbanden.
Brasser zet verwondering dan ook in als motor van haar lessen. In het eerste hoofdstuk verbindt ze Lampje met het sprookje van de kleine zeemeermin. Wie zich eenmaal in die relatie verdiept, merkt hoe aanstekelijk het is om zulke sporen te volgen. Wat begint als een vergelijking tussen twee verhalen kan zomaar uitmonden in een klassengesprek over mannelijkheid, een thema dat je niet bij deze teksten zou verwachten, maar dat ze door closereading verrassend scherp zichtbaar maakt. Even inspirerend vind ik Brassers observatie dat feministische sprookjesbewerkingen het goed doen in de klas omdat ze aansluiten bij de weerstand van leerlingen tegen traditionele patronen. En dan neemt ze een bewerking door Roald Dahl, waarin Roodkapje een revolver uit haar slipje trekt en eigenhandig de wolf doodschiet: een effectieve manier om vragen te stellen bij het oorspronkelijke verhaal.
Overtuigender
Een van de meest prikkelende stellingen in Brassers boek is dat teksten “moeilijk genoeg” moeten zijn. Ze moeten “meerduidig zijn en ver genoeg van de leerling afstaan om klassikale interactie op gang te brengen”. Dat is een belangrijke correctie op de neiging om literatuur steeds toegankelijker en laagdrempeliger te maken (in casu: het leesplezier voorop te stellen en de lat steeds lager te leggen, iets waartegen didactici als Marie-José Klaver en Yra van Dijk ook sterk in het verweer komen). Juist in de meerduidigheid ontstaat het gesprek, de interpretatie en dus het verschil van inzicht. Eenduidige teksten laten weinig over om te ontdekken. En waar niets schuurt, valt niets te onderzoeken of uit te vinden, dus mis je het wezenlijke plezier en de meerwaarde van het lezen.
Brasser beschrijft niet alleen wat werkt, maar ook waar het misgaat. Zo vertelt ze hoe ze in haar enthousiasme voor De reis van Sint Brandaan haar leerlingen verloor en hoe ze dat corrigeerde. Dat falen maakt duidelijk dat het een kwestie is van zoeken, bijstellen en opnieuw proberen. Het maakt Brasser alleen maar overtuigender, voor zover dat nog nodig is. Want het is inderdaad wat Marc van Oostendorp al eerder uitriep: wie wil er nou niet een docent als Joke Brasser?
Moeilijk realiseerbaar
Wat ik ook echt bijzonder vind, en wat samenhangt met die innemendheid, is dat Brasser voortdurend oog heeft voor de mentale ontwikkeling van de leerling. Juist door iets van ze te verwachten, neemt ze hen serieus. “We worden geboren in een set van culturele verhalen waarvan we moeten zien te ontdekken wat ze betekenen en wat onze relatie tot die verhalen is,” schrijft ze. De verhalen die je leest, bepalen immers mede hoe je de wereld ziet. Daarom is het van belang om juist ook onbekende, historische verhalen in het onderwijs te brengen: ze verruimen de blik, vergroten het mededogen en maken het mogelijk om je tot iets anders te verhouden dan het eigen, vertrouwde perspectief. En dus, zo voeg ik als idealist toe, om een beter mens te worden.
Juist omdat deze aanpak zoveel vraagt van de docent, legt Brasser – waarschijnlijk onbewust – een structureel probleem bloot. Want hoe inspirerend haar aanpak ook is, de vraag dringt zich op of docenten in de huidige onderwijspraktijk wel ruimte krijgen om zo te werken. Hebben docenten de tijd om nieuwe literatuur te lezen en teksten zo grondig te bestuderen dat ze al associërend dit soort dwarsverbanden kunnen leggen? Als lezen het hart van het vak Nederlands vormt, zou het ook als zodanig gehonoreerd moeten worden. Dat betekent: betaald en verplicht lezen als onderdeel van het docentschap. Een vacature voor een docent Nederlands zou moeten vermelden hoeveel uur per week besteed wordt aan close reading van literatuur. Zonder dit structureel in te bedden blijft het ideaal dat Brasser schetst moeilijk realiseerbaar. Al geeft zij natuurlijk wel het goede voorbeeld (ik weet niet of ze ooit slaapt).
Lezende docenten
Dat gebrek aan ruimte blijft niet zonder gevolgen: het bepaalt in hoge mate hoe leerlingen historische literatuur waarderen. Opvallend negatief. Dat komt volgens Brasser niet omdat de teksten zo ontoegankelijk zijn, maar omdat ze te laat en te geïsoleerd worden aangeboden. Wanneer je in de onderbouw al begint met historische teksten, en die verbindt met wat leerlingen kennen, verandert de waardering ongetwijfeld. Een fabel van Aagje Deken en Betje Wolff in de onderbouw zou een mooie eerste stap zijn. Of projecten gebruiken zoals Historische Klassiekers – ik pleit nu even voor eigen parochie – waarin hertalingen naast het origineel staan en het lesmateriaal (gemaakt door Joke Brasser en Marie-José Klaver) de leerlingen met die teksten laat stoeien.
Wat uiteindelijk op het spel staat, is meer dan leesplezier alleen. Brasser verschuift de aandacht van leesplezier naar leesvoldoening: het inzicht dat ontstaat wanneer je een tekst doorgrondt, verbanden legt, perspectieven verschuift. Het gaat niet om belevend lezen, maar om actief, vergelijkend lezen. Om het vermogen je te verplaatsen in iets of iemand anders dan jezelf, omdat je van daaruit je eigen positie kunt heroverwegen.
Het is verleidelijk om deze recensie af te sluiten met een praktische, joelende aanbeveling: koop dit boek, gebruik het in de klas! Maar tegelijk zou ik willen roepen: lees historische teksten! Want wat dit boek vooral laat zien, is hoezeer goed literatuuronderwijs afhankelijk is van docenten zelf: van hun belezenheid, nieuwsgierigheid en vermogen om verbanden te leggen. Goed literatuuronderwijs begint bij lezende docenten.
Joke Brasser. Oude teksten voor jonge lezers. Kleine uil educatief, 2026. Bestelinformatie bij de uitgever
Laat een reactie achter