
Hoor de hoeven over de heide gaan, de kiezen kauwen op kruid en struik, en bij hamel de bel van hals bengelen. Hier treedt een kudde, of een herde, om te spreken met een oud woord dat nog in herder schuilt en verwant is aan scheren—maar niet hoe u denkt.
Rovers zelfs
Al sinds zijn vroegste overlevering in onze taal wordt kudde voor groepen en troepen van allerhande wezens gebruikt, ook vogels en bijen en booswichten, en met minachting evenzeer mensen. Daer leghet een cudde groot van rooveren, leest het bijvoorbeeld in een dertiende-eeuws verhaal. Oorspronkelijk echter was het woord aan runderen voorbehouden, want zijn voorloper is duizenden jaren geleden van een vorm van koe afgeleid.
Met hetzelfde achtervoegsel bestond ook een woord voor groepen schapen in het bijzonder, al is dat alleen in enkele zustertalen overgeleverd, in vormen als Oudhoogduits ouwiti en Oudengels éowede. Hadden we het hier bewaard, bestond het nu als een Nederlands ouwde. Het is afgeleid van de voorloper van ooi, dat vroeger de nevenvorm ouwe had en aanvankelijk ‘schaap’ betekende, ongeacht geslacht.
Van alles
Hier stellen we nu meer belang in een woord dat van oudsher ruimer van betekenis was, van begin af aan verwees naar groepen vee in het algemeen. Oude vormen hiervan zijn onder meer Oudhoogduits herta, Oudengels heord, Oudnoords hjǫrð en het zeer zeldzame Middelnederlands herde, alle met de betekenis ‘kudde’, soms ook in de zin van Gods getrouwen. Heden bestaat het in het uiterste zuidoosten van de Lage Landen hier en daar nog als Limburgs hêrd e.d. De gemeenschappelijke voorloper was Germaans *herdō.
Daarvan afgeleid was *herdijaz voor de hoeder, met een achtervoegsel dat toebehoren aangaf en de uitspraak van de voorgaande /e/ verhoogde. Enkele voortzettingen hiervan zijn Oudhoogduits hirti, Oudengels hirde, Oudnoords hirðir en Middelnederlands hirde, jonger herde. Die laatste ontwikkelde zich tot Nederlands herder, verlengd met een -r naar voorbeeld van woorden als hoeder en leider. West overzee overleeft het vooral in Engels shepherd, bij regelmatige klankontwikkeling verkort uit ouder sheepherde, een samenstelling die bij ons beantwoordde aan Middelnederlands schaepherde.
In eigenlijke zin
Maar *herdō betekende niet altijd ‘kudde’. Daarop wijst een van de oude vormen, want Oudhoogduits herta werd ook begrepen als ‘beurt, afwisseling’, tevens in bijwoordelijke verbindingen als bî hertôn ‘bij beurten, één voor één’. Dit strookt bovendien met de betekenisverscheidenheid van evenknieën van het woord buiten het Germaans, zoals Oudkerkslavisch črěda ‘ordening, reeks; kudde’, Russisch čeredá ‘rij, opeenvolging’ (gewestelijk ‘kudde’), Oekraïens čéred ‘beurt’ en Oudpruisisch kẽrdan ‘tijd’ (4e naamval).

Voor verdere doorgronding van het woord is een andere verwant van belang: Litouws ker̃džius ‘veehoeder, schapenhoeder’ en diens vermoedelijk zeer oude nevenvorm sker̃džius. De bovenstaande woorden zijn dan te herleiden tot een Indo-Europese wortel *(s)kerdh–. Het ‘schemeren’ van de s- aan het begin van onderling verwante woorden is een verschijnsel dat in de Indo-Europese talen veel te vinden is en s-mobile genoemd wordt. Vaak wordt gemeend dat zo’n s- oorspronkelijk bij de wortel hoorde maar binnen een zin dikwijls ingeslikt raakte als een voorgaand woord op een -s eindigde.
Deze wortel is te vereenzelvigen met een die als *skerdh– ‘(af)snijden’ e.d. te boek staat. We kennen die van onder meer Oudiers scerdaid ‘schillen’, Litouws skardýti ‘slachten’ en Germaans *skardaz, dat zich ontwikkelde tot Oudnoords skarðr ‘verhouwen; verminderd’ en Oudsaksisch skard ‘verwond’. En hiermee hebben we waarschijnlijk een verlenging van de bekendere wortel *(s)ker- ‘(af)snijden’. Inderdaad, die ligt ook ten grondslag aan Germaans *skeraną en diens afleidingen *skērō ‘kniptuig’ en *skarō ‘afdeling, deel’, de voorlopers van Nederlands scheren, schaar en schare.
Van verder belang in onze beschouwing is dat *skarō ‘afdeling, deel’ zelf nog diende ter afleiding van het zwakke werkwoord *skarjaną, vanwaar onder meer Nederlands scheren ‘toebedelen; schikken, ordenen; (garen) spannen; op touw zetten’, ook in het weverswoord schering (naast inslag) en in bescheren ‘(een lot) toebedelen’. Het geeft maar aan dat de betekenis ‘snijden’ kan overgaan in ‘delen’ en vandaar ‘ordenen’.
Besluit
Dus kunnen we stellen dat de gemeenschappelijke voorloper van Germaans *herdō en diens evenknieën in andere Indo-Europese talen eerst een betekenis als ‘opdeling’ had. Deze veranderde vervolgens in ‘ordening, (rang)schikking’, daarna ‘volgorde, opeenvolging, reeks’ en dan uiteindelijk enerzijds ‘beurt, afwisseling’, anderzijds ‘kudde’, zoals vee niet zelden één voor één op pad is, liefst onder het schellen van een bel.
Noten
1. De overlevering heeft ook Oudnederlands herdnissi, *herdnessi, Middelnederlands hernisse, hernesse ‘beemd; kudde’, waarin het tweede lid wel aan Oudnederlands nessi, Middelnederlands nesse ‘landtong, buitendijks land’ beantwoordt. Daaruit volgt dat de samenstelling aanvankelijk iets als ‘kuddebeemd’ betekende en vandaar zowel ‘beemd’ als ‘kudde’. Ze schuilt ook in de oordnaam Lampernisse (West-Vlaanderen), ouder Lampernesse e.d., verbasterd uit *Lambherdnessi, met Oudnederlands lamb ‘lam’. De b werd door eindverscherping een p, waarna de h en d ingeslikt raakten.
2. Het Lexikon der indogermanischen Verben onderscheidt twee wortels: *(s)ker- ‘scheren, kratzen, abschneiden’ en *(s)kerH- ‘trennen, teilen’. Germaans *skeraną komt van de eerste en het is denkbaar dat Germaans *skarō ‘afdeling, deel’ niet daarvan afgeleid is maar van de tweede wortel komt. Die is echter allicht een verlenging van de eerste, dus voor de duiding hierboven maakt het uiteindelijk geen verschil.
Verwijzingen
Debrabandere, F. e.a., De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, tweede, grondig herziene en vermeerderde uitgave (Leuven, 2022)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)
Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (webuitgave)
INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)
INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Karg-Gasterstädt, E., Althochdeutsches Wörterbuch: auf Grund der von Elias von Steinmeyer hinterlassenen Sammlungen (1968–heden)
Lubotsky, A., “Reflexes of Proto-Indo-European *sk in Indo-Iranian”, in Incontri linguistici 24 (2001), blz. 25–57
Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band V: gâba – hylare (Göttingen, 2009)
Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992-2001)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Wartburg, W. von e.a., Französisches Etymologisches Wörterbuch (1922–2002)
Dit stuk verscheen eerder op Taaldacht.
Laat een reactie achter