
De Sallandse dichteres Johanna van Buren (1881-1962) schreef rond de 1300 gedichten in haar moedertaal, het Hellendoorns. Sommige zijn gelegenheidsgedichten waar men niet zoveel achter hoeft te zoeken. Andere echter mogen in mijn ogen tot de hoogstaande literatuur gerekend worden. Om een breder publiek met haar poëzie kennis te laten maken, werk ik aan een boek waarin een aantal telkens terugkomende thema’s in haar werk voor het voetlicht komen. Deze worden geïllustreerd met in het Nederlands vertaalde gedichten. Haar gedichten waren geliefd bij lezers in Salland en Twente. Met het boek hoop ik een groter lezerspubliek te bereiken voor haar werk, want de schoonheid van haar gedichten treft ons ook in de vertaalde gedichten. In hoofdstuk 26 van mijn boek De taal van Hellendoorn wordt uitgebreid aandacht besteed aan het werk van deze dichteres.
De wisseling der seizoenen
Een van de thema’s die sterk in de gedichten van Johanna van Buren tot uiting komt, is de wisseling der seizoenen. Veel gedichten hebben een symbolische laag, die tot stand komt doordat de dichteres een bepaalde beschouwing van een thema betrekt op het leven van de mens. Haar poëtisch talent komt ook tot uiting in de prachtige natuurbeschrijvingen die zij weet te geven en die alleen als doel lijken te hebben om in taal te vatten welke vreugde zij krijgt van al het moois in de natuur. In de thematiek van de seizoenen zien we haarscherp haar gemoedstoestand weerspiegeld zodra er van seizoen gewisseld wordt. In een vorige aflevering van Neerlandistiek is aandacht besteed aan het gedicht Meimaand (Meimaond), waarin de sprankelingen ons gedurende het lezen onophoudelijk tegemoet springen. Het is het seizoen waar zij altijd naar uitkeek en dat brengt zij ook tot uiting in haar poëzie.
Najaar
Toch wordt ook de herfst in hoge mate geprezen, maar dat heeft te maken met de prachtige kleuren van de bladeren in de najaarszon. Er is één seizoen waar zij alleen in negatieve bewoordingen over schrijft en dat is de winter. Van dit seizoen moet zij niets hebben. Die sneeuw mag dan mooi zijn, daar staat de economische malaise tegenover door het gebrek aan werk in dit seizoen. En dan is er nog haar eigen ellende in de winter: de vreselijke kou en de reumatiek die door die kou wordt verergerd. Maar tegenover de uitbundige vreugde over de kleurige herfstbladeren in de najaarszon, staat de diepe weemoed over de zomer die op zijn einde is, en de donkere dagen die dan volgen. Die weemoed wordt gesymboliseerd door de zo door haar geliefde rogge die gemaaid moet worden (gedicht Ofscheid uit 1932) of die al gemaaid is (gedicht De rogge is dale uit 1937). Het eerste gedicht drukt louter de weemoed van het einde der zomer uit, terwijl het tweede de gemaaide rogge als symbool voorstelt voor het einde van het menselijk leven, dat onvermijdelijk in het verschiet ligt. In sommige gedichten wordt het woord weemoed ook nadrukkelijk genoemd. Dat is het geval in het volgende, vroege gedicht, getiteld Donker najaar (Dónker naojaor), geschreven in 1927. Aan het eind van het gedicht kan de ik-figuur de weemoed over de voorbije zomer toch relativeren door te wijzen op de naderende Midwinter, de nacht van 21 op 22 december, de langste nacht van het jaar. Daarna worden de dagen weer langer en daar kijkt de ik-figuur naar uit. Dit is een van de gedichten die laat zien dat zij het leven niet altijd gemakkelijk vond. Als tegenwicht spreekt zij zichzelf moed in. In het volgende gedicht gebeurt dat met iets om weer naar uit te kijken: de naderende Midwinter. Met ‘onze toren’ in dit gedicht wordt de toren van de Nederlands Hervormde kerk in Hellendoorn bedoeld.
| Donker najaar Donker najaar, korte dagen, Mist hangt in de morgentijd, Druppelt langzaam van de takken, De bladeren zijn zij goeddeels kwijt. Onze toren koekeloert nog Achter ’t dunne gele blad. Weer in al zijn glorie zien wij hem Voor ons, over een dag of wat. ’k Zie nog gele berkenpluimen Tegen donker dennengroen. Maar zij hangen zo dof en droevig, Zonnestralen zijn er nog ternauwernood. Bloemenstengels staan zo dor In dat natte, kille zand. Nog een enkel rotterig roosje… Zwaluwen zijn naar ’t warme land. Vogeltjes, zij flodderen schrik’rig In de kale bomen rond. En de laatste blad’ren, in verwarring, Zoeken nu gezelschap op de grond. ’t Is zo stil en zonder wind, Net of je horen kunt een zucht… Om de zomer, die weer heen ging, Weemoed hangt er in de lucht. Donker najaar, ’t duurt niet lang, ’t Leven jaagt, wat ’t jagen kan. En wij gaan zo onopvallend Weer op de Midwinter aan. | Dónker naojaor Dónker naojaor, korte daege, Mist hangt in d’n margentied, Druppelt stödig van de takke, Beume zint de blae meest kwiet. Oonzen toren koekeloert nog Achter ’t dunne gelle blad. Weer in al zien’ glorie zîe-w um Veur oons, oaver ’n dag of wat. ’k Zîe nog gelle bärkenplume Tegen dónker dennengrûun. Maer zîe hangt zo dof en drôevig, Zunnestroalen zint betûun. Blôemenstengels staot zo dorre In det natte, kille zaand. Nog een èènkelt rot’rig reusien… Zwärfies zint naor ’t wärme laand. Veugelties, zîe flóddert schrik’rig In de kale beume rónd. En de leste blae, verdwöllen, Zûukt gezelschóp óp d’n grónd. ’t Is zo stille en lusterachtig, Net o-j heuren könt nen zucht… Um het zómer, det weer hen gung, Weemôed hank d’r in de lucht. Dónker naojaor, ’t duurt nîet lange, ’t Lèven jäg, wat ’t jaegen kan. En wiej gaot zo ónverdagchens Weer óp Muddewinter an. |
Geef je in je toekomstige boek alleen de vertalingen of zet je er de oorspronkelijke tekst ook telkens naast? (Ik hoop het laatste.)