
Alle linkse kwaliteitskranten waren kritisch op het coalitieakkoord. Dan weet je dat je het goed gedaan hebt.
De twee zinnen hierboven citeer ik uit Trouw, die ze weer citeert uit de mond van een ongenoemde bezoeker van een VVD-congres. Daar werd op 4 februari gesproken over het concept-regeerakkoord van drie Nederlandse parlementsfracties.
Ik moest het stukje twee keer lezen. Dat is me de afgelopen tijd vaker overkomen als ik het woord kritisch tegenkwam. Uit de context snap ik dat dat hier de betekenis ‘afwijzend’ heeft. Het frame waarbinnen deze twee zinnetjes een zinvolle interpretatie krijgen, is volgens mij: je hebt links en je hebt rechts, die vinden tegenstrijdige dingen goed, dus als links de plannen van rechts stom vindt, moeten die voor rechts wel goed zijn.
Pejorativisering
Mijn eerste gedachte was: kranten moeten altijd kritisch zijn op regeerakkoorden, daar zijn ze voor. Dat kritisch betekent dan niet ‘afwijzend’, maar zoiets als ‘gebruikmakend van de bekwaamheid tot het onderkennen van juistheden en onjuistheden, vermoedelijke consequenties en haalbaarheid’. Dat is de betekenis waarin ik kritisch gebruik, naast nog wat andere, minder alledaagse, maar de inherent pejoratieve van hierboven is mij vreemd. De definities in mijn Van Dale liggen niet al te ver van de mijne af.
Op zich kan kritisch in mijn idiolect best pejoratief worden gebruikt. Ik heb weleens te horen gekregen dat ik ergens niet zo kritisch over moest zijn, en ik heb dat zelf ook weleens over anderen gezegd. Dat was dan in contexten waarin een oppervlakkig (en vermoedelijk snel) oordeel over iets gewenst was, in plaats van een diepgravende beschouwing.
Maar dat werd in het Trouw-citaat volgens mij niet bedoeld. Ik heb de indruk dat de oordeelkundigheid van de “linkse kwaliteitkranten” daarin geen rol speelt, en dat kritisch daarin enkel en alleen verwijst naar een afkeurende conclusie. Dat inherent pejoratieve gebruik zie ik ook in de volgende krantenzinnen:
- Het kabinet reageert op uiterst kritisch rapport over Groningen (niet ‘zeer gedegen’, maar ‘sterk afkeurend’; Trouw van 25 april 2023)
- Directeur weg bij Nederlandse Zorgautoriteit na kritisch rapport (niet ‘zeer gedegen’, maar ‘sterk afkeurend’; Trouw van 26 september 2014)
- Kinderombudsman kritisch over rapportages jeugdzorg (niet ‘oordeelkundig’, maar ‘negatief’; Trouw van 19 juni 2013)
- Naast vakbond CNV reageert ook de FNV zeer kritisch op de plannen van D66, VVD en CDA (niet ‘breed beschouwend’, maar ‘lakend’; nos.nl van 26 januari 2026)
In een aantal van die gevallen kan de afkeuring nog berusten op het vinden van onjuistheden, maar in elk geval in de politieke voorbeelden lijkt kritisch morele afkeuring uit te drukken.
Of dat gebruik van kritisch nou wat nieuws is, weet ik niet. Het WNT en mijn Van Dale 12e druk (1992) noemen het niet. Dat kan er een aanwijzing voor zijn dat het inherent pejoratieve kritisch wat nieuws is.
Twee online-woordenboeken
Ik vind die pejoratieve betekenis wel in twee online-woordenboeken, die allebei wat amateuristisch overkomen, maar misschien juist door het ontbreken van lexicografische expertise nieuwe betekenisontwikkelingen goed doen uitkomen.
Het eerste is woorden.org, een online-woordenboek waar ik geen achtergronden van ken. Dat geeft als eerste betekenis van kritisch, enigszins onbeholpen geformuleerd: ‘als je negatieve aspecten ziet (van iets)’, met als contextvoorbeeld ‘kritisch zijn over een plan van de regering’. Pas als tweede betekenis geeft dit woordenboek ‘als je onafhankelijk van anderen denkt en oordeelt’. De prominentie van de pejoratieve betekenis is op basis van lexicografische ordeningscriteria als chronologie en courantheid moeilijk te verdedigen, maar ze is mogelijk wel te verklaren als ze is gebaseerd op idiosyncratisch taalgebruik of een zeer beperkt corpus.
Op nl.glosbe.com ontbreekt zelfs de neutrale betekenis. Dat online-woordenboek geeft twee betekenissen van kritisch, namelijk ‘ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets’ en ‘Geneigd zijn fouten en gebreken te vinden’. Die klunzige definities en de informatie dat iedereen aan het woordenboek kan meeschrijven, laten vermoeden dat dat niet per se op een lexicografisch verantwoorde wijze tot stand is gekomen, maar tegelijk laat het net als woordenboek.org wel zien dat een deel van de taalgemeenschap kritisch vooral of zelfs uitsluitend in pejoratief gebruik kent.
Verklaring
Helemaal onverwacht is de pejoriserende betekenisontwikkeling niet. De eerste betekenis bij het WNT-lemma kritisch is ‘Geneigd tot beoordelen (inzonderheid: tot het aanwijzen van fouten)’. De toevoeging tussen haakjes kan al wijzen op een verschuiving van nauwkeurigheid naar antagonisme als reden voor het geven van een oordeel. Dat antagonisme kan zich makkelijk uitbreiden naar het morele domein, mogelijk in eerste instantie onder de vlag van gerechtvaardigde strengheid.
Antagonisme is ook al vroeg zichtbaar in het gedeeltelijk homofone en gedeeltelijk synonieme bijvoeglijke naamwoord kritiek. Het lijkt onmiskenbaar in deze WNT-voorbeeldzin uit een brief van Johan de Witt (1657):
- Dat eenige critycque geesten … uut de voorschreven … missiven zullen trachten te astrueren, dat deselve … hebben gegaen verder als de termen van Uwer Ed. pouvoir waren lydende
Het zelfstandige naamwoord kritiek kent al een vrij breed pejoratief gebruik. Mijn Van Dale noemt als tweede betekenis van kritiek ‘het aanwijzen van gebreken in iets, uiting van afkeuring of ongenoegen’. Het WNT noemt onder de neutrale deelbetekenis van kritiek als toevoeging: ‘Vaak in den zin van: het aanwijzen van de gebreken, en zelfs in dien van: ongunstige beoordeling, afwijzing’.
Het zou best begrijpelijk zijn als sprekers vanwege deze pejoratieve connotaties in dit formele woordveld kritisch ook op een afkeurende manier zijn gaan gebruiken.
Laat een reactie achter