
Een van de wonderlijke kenmerken van talen is het woordgeslacht. Neem het Nederlands: sommige woorden hebben het lidwoord de en andere het lidwoord het. Wie Nederlands wil spreken moet voor ieder zelfstandig naamwoord onthouden welk van de twee het is. Bovendien werkt dat verschil ook door bij de verbuiging van bijvoeglijk naamwoorden (een wit huis, een witte tuin). Je moet dat allemaal onthouden en je moet er tijdens het praten voortdurend aan denken. Wat heb je eraan? Er moet een verklaring zijn: niet alleen het Nederlands, maar allerlei talen maken het verschil een voor een.
En dan moet je je voorstellen dat je als kind twee talen leert met ieder een eigen woordgeslachtsysteem. Wat een ruimte moet je dan gebruiken! Een groep van mijn Nijmeegse collega’s deed daar onderzoek naar: in hoeverre wordt je als tweetalig kind gehinderd of juist geholpen doordat je andere taal ook woordgeslachten onderscheidt?
De onderzoekers keken naar tweetalige kinderen van wie het Nederlands één van de talen was. Er waren drie groepen: de eerste sprak ook Frans, de tweede ook Duits en de derde sprak geen andere taal. Het ging bij de eerste groepen steeds om kinderen die woonden in een Franstalig of Duitstalig gebied – het Nederlands was dus hun zwakkere taal. Het Frans heeft een ander woordgeslachtsysteem, in die zin dat er maar weinig verband tussen wat mannelijk of vrouwelijk is in het Frans en wat de of het krijgt in het Nederlands. Het Duits lijkt veel meer op het Nederlands: het-woorden hebben meestal das en de-woorden meestal der of die, al zijn er ook uitzonderingen, allebei de kanten op: de auto is das Auto, terwijl het hert der Hirsch is.
In de weg
In een experiment moesten kinderen Nederlands spreken met een onderzoeker, aan de hand van plaatjes zoals dat hierboven. Het kind moest bijvoorbeeld beschrijven wat het zag: een rood raam en een blauw raam. Welk van die twee zou het willen openmaken? Het rode raam. Zo werd het spelenderwijs geleid naar uitspraken die informatie kon geven over welk lidwoord het kind gebruikte en of het de verbuiging van het lidwoord volgens de Nederlandse regels zou doen.
De kinderen die naast Nederlands ook Frans spraken, deden het niet anders dan de eentalige kinderen. Het Franse en het Nederlandse systeem liggen kennelijk zo ver uit elkaar dat ze op verschillende plaatsen in de hersenen worden opgeslagen. Voor de Duitstalige kinderen lag dat anders: als het Nederlands en het Duits hetzelfde geslacht hadden (het raam-das Fenster) dan hielp ze dat om sneller en correcter het juiste lidwoord te kiezen. Maar waren de woordgeslachten verschillend, dan zat dat de kinderen ook echt in de weg. (Ik vermoed dat hier misschien ook een rol speelt dat Nederlandse en Duitse woorden, Mann, Buch, Hand, ook vaak op elkaar lijken, meer dan het Nederlands en het Frans: homme, livre, main.)
Eerder onderzoek leek altijd tegenstrijdig: sommige vonden een positief effect van tweetaligheid, en andere een negatief effect. Dit onderzoek biedt nu misschien een oplossing voor dat raadsel: er zijn zowel positieve als negatieve effecten, en dat heeft iets met het uiteenlopende woordgeslacht te maken. Kennelijk kunnen twee talen, als ze genoeg op elkaar lijken, op dezelfde plaats worden opgeslagen. En kennelijk kunnen ze elkaar dan soms danig in de weg zitten.
Laat een reactie achter