
“Columns zijn per definitie gedateerd”, zei Jan Blokker ooit. “Over een tijdje zijn ze verloren, weg.” Toch is er één column die bijna vier decennia na dato maar niet wil verouderen. Dichter Gerrit Komrij schreef die in 1989 in NRC Handelsblad naar aanleiding van een uit de hand gelopen anti-Rushdie-demonstratie in Rotterdam. “De moslimgemeenschap trekt en masse langs de straten, met woeste kreten als ‘Rushdie dood, Allah groot’”, schreef hij. “In de schoot van onze protestcultuur voelen ze zich, met al hun lafheden en hondetrouw, verwend en sterk. Dat allemaal op onze kosten. Onder onze politie-escorte. We gaven ze zelf de stok waarmee we nu worden geslagen. We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.”
Die laatste woorden heb ik intussen vereeuwigd in de titel van mijn recente boek: Stakkers en wolven. In de schaduw van Gaza. Komrij’s citaat staat ook op de achterflap en op pagina 88, nadat ik wijs op de uitlatingen van Telegraaf-opiniemaker Wierd Duk over een “islamistische vijfde colonne” in Nederland. Ik concludeer: “Het is de giftige taal die we kennen sinds de aanslagen van 11 september 2001, of voor degenen die wat langer meelopen en goed hebben opgelet al veel eerder, in de nasleep van de Rushdie-affaire in 1989. Toen was het schrijver Gerrit Komrij die in een column in NRC Handelsblad over de aanwezigheid van moslims in Nederland schreef: ‘We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug’.”
Vooroordelen
Komrij was in 1989 lang niet de enige schrijver die zich liet gaan, ook de eerdergenoemde Blokker had een broertje dood aan de lange tenen van moslims. “Waarom zou ik begrip moeten hebben voor mohammedanen die […] op de maat in woede uitbarsten, zinloze heilige oorlogen uitvechten, boeken verbranden?” Rinus Ferdinandusse, toenmalig hoofdredacteur van Vrij Nederland, was nog uitgesprokener: “Wat onze eigen ‘moslims’ betreft: tulband af, méédoen met ons en anders eruit.”
De Rushdie-affaire was daarmee het ground zero van wat het Nederlandse islamdebat is gaan heten. Een ‘debat’ dat flink ontspoorde en zich tegenwoordig uit in kwalijke verdachtmakingen en onbeschaamde scheldpartijen. Het is allang niet meer alleen de onaangepaste ‘tulband dragende’ fundamentalist die het moet ontgelden, ook de belijdende moslim die volop meedoet in de maatschappij is voor veel Nederlanders een ‘vervuiling’ van het straatbeeld geworden.
Mijn punt is dat een hele stoet publicisten en politici heeft bijgedragen aan het huidige racistische klimaat rond de aanwezigheid van inmiddels ruim een miljoen islamitische Nederlanders. Er loopt een lange lijn van Joop Glimmerveen via Hans Janmaat naar Geert Wilders en geestverwanten. En daartussen bevinden zich ook de zogenaamd progressieve denkers die zonder terughoudendheid hun vooroordelen over moslims de vrije loop lieten. Komrij’s geestdriftige column spreekt wat mij betreft het meest tot de verbeelding, met zijn nadruk op ‘onze’ en ‘ze’.
Provocerend
Het is allemaal tegen het zere been van Arie Pos, de biograaf van Gerrit Komrij. De titel van het boek noopte hem om een mail te sturen naar mijn uitgever en een artikel te schrijven op de website Neerlandistiek. Ook kwam hij daarna uitvoerig aan het woord in een bijdrage over hetzelfde onderwerp in HP/De Tijd. No such thing as bad publicity, zou je zeggen, maar dat zou flauw zijn.
Waar het volgens Pos op neerkomt is dat ik de woorden van Komrij kwaadwillend interpreteer en de arme man postuum “reputatieschade” berokken. Ik was drie jaar oud toen de gewraakte column verscheen, waardoor Pos uitgaat van een “vooringenomen visie”. Alsof ik als historicus nooit heb gehoord van standplaatsgebondenheid.
Het is op z’n minst ironisch te noemen om van mij nuance te verwachten over een man die van zijn polemische scheldlyriek een handelsmerk maakte. Maar ik ben de beroerdste niet en wil hier wel toelichten waarom ik de provocerende woorden van Komrij gebruik, of beter gezegd toe-eigen, om mijn eigen verhaal kracht bij te zetten.
Per ongeluk
Pos weet zeker dat Komrij het allemaal niet generaliserend bedoelde. De “moslimgemeenschap” die volgens Komrij “en masse” langs de straten trok betrof slechts de duizenden moslims die aan de demonstratie deelnamen. Pos voegt eraan toe dat Komrij “geen racist of islamofoob was met een tunnelvisie” omdat hij later allerlei schrijftalenten met een migratieachtergrond stimuleerde. Dat zal wel, maar dat lijkt me bezijden het punt. Alsof dj Ruud de Wild zijn onlangs stereotyperende en racistische opmerkingen over Aziaten kan compenseren door straks K-pop op de radio te draaien. Leuk natuurlijk, maar de schade is al gedaan, de vooroordelen bevestigd, de weg geplaveid voor de tweede garnituur om hun gal te spuwen over minderheden.
Je hoeft alleen een blik te werpen op de opiniërende kolommen van De Telegraaf, de berichten op GeenStijl of de uitlatingen van radicaal-rechtse politici om Komrij’s erfenis terug te zien. Een ronduit racistische zin als “we laten hyena’s ons land binnen die vandaag elkaar doodslaan en morgen ons”, afkomstig van ex-PVV’er Gidi Markuszower, rijmt verdomd veel op de wolven-uitspraak van Komrij. Ho ho, zegt Pos, Komrij bedoelde alleen de intolerante fundamentalisten die destijds de straat op gingen. Maar dat is hoe extremistische politici als Geert Wilders en Thierry Baudet het ook altijd formuleren: het gaat ze niet om álle Marokkanen, alleen de raddraaiers, niet om álle moslims maar om de uitwassen van de islamitische gemeenschap, enzovoorts.
Het verhaal is nagenoeg altijd hetzelfde: het was niet zo bedoeld. Racistisch? Alleen per ongeluk. Excuses aanbieden? Nooit.
Incasseren
Dat Gerrit Komrij later niets moest hebben van politici als Fortuyn en Wilders geloof ik meteen, zoals zijn generatiegenoot Jan Blokker ook stevig ageerde tegen de opkomst van het rechts-populisme begin deze eeuw. Al kwam het op mij over alsof zij schrokken van de inhoudelijke overlap wat betreft de aversie tegen het linkse ‘cultuurrelativisme’ en de stevige ‘kritiek’ op de islam. Fortuyn en Wilders als Frankensteins monsters. Ja, dan neem je de vlucht naar voren om je te distantiëren van zulke lieden. Maar ik juich elk voortschrijdend inzicht toe.
Kortom, woorden hebben betekenis, om een vreselijk cliché te gebruiken. Het gaat mij dan ook niet om Komrij (die ik overigens nergens racist of islamofoob noem). Ik heb mijn titel niet gekozen om een karikatuur te maken van de ongetwijfeld veelzijdige man of om zijn omvangrijke oeuvre te bezoedelen. Maar laat ik Arie Pos tegemoet komen en misschien wel de meest beruchte column uit de recente Nederlandse geschiedenis beschouwen als een emancipatoire boodschap voor moslims. Hier is dan zo’n moslim die een pen kan vasthouden en zowaar regels aan elkaar kan rijgen, zich engageert en bewust is van de vaderlandse en literaire traditie. In mijn volwassenwording heb ik tot in den treure moeten aanhoren dat moslims maar moeten leren ‘incasseren’. Nu is het mijn beurt om uit te delen. Komrij’s ‘reputatie’ kan vast wel tegen een stootje.
Beste Lotfi, op 25 maart gaf ik je door dat de Biograaf van Komrij graag met je van gedachten zou wisselen. Die uitnodiging staat open. Ik gaf je dat door vanuit de Stichting Vrienden van Gerrit Komrij, die meerdere events voorbereidt voor 2027 rondom jongeren, polemiek en poetry.
Hoewel het begrijpelijk is, nu je de titel van je boek gekozen hebt, dat je in de verdediging schiet, is dat ook jammer.
Je stelt dat Komrij zijn column schreef “over de aanwezigheid van moslims in Nederland”. Het kan niet anders dan dat je weet dat dat een bewust onjuiste weergave is daar de column betrekking had (in 1989; fatwa jegens schrijver Rushdie) op gewelddadige demonstraties door geloofsfanatici.
Komrij woonde toen al lang in Portugal en beschreef een kleine groep extremisten die een moordfatwa steunden in de straten van Nederland. Je kunt je voorstellen dat dat toen ook indruk maakte in Nederland, zelfs beangstigde, en dat de schrijver / polemist daarbij vrijheid heeft om daar op te reflecteren.
Het titelessay heette oorspronkelijk “Het populisme of de grenzen van de democratie” zoals Pos al schreef.
Het argument “nu is het mijn beurt om uit te delen” reflecteert helaas een uiting van persoonlijke rancune jegens een samenleving waar polemische schrijvers vrijheid hadden en hebben. Je stelt:
“Hier is dan zo’n moslim die een pen kan vasthouden en zowaar regels aan elkaar kan rijgen, zich engageert en bewust is van de vaderlandse en literaire traditie. In mijn volwassenwording heb ik tot in den treure moeten aanhoren dat moslims maar moeten leren ‘incasseren’. Nu is het mijn beurt om uit te delen”.
Vanwaar deze beschrijving van je eigen carriere die toch tamelijk succesvol verlopen is?
Op wie is je woede dan gericht?
Gerrit Komrij had een grote en gewaardeerde rol (bijna vaderlijk) voor destijds grote talenten en grootse kunstenaars als Ramsey Nasr en Hafid Bouazza. Hij werkte samen met Mustafa Stitou en Abdelkader Benali.
Het gedicht van Ramsey Nasr voor de overleden Komrij is diep ontroerend.
Jij vergelijkt dat vrij onnavolgbaar met “DJ Ruud de Wild en K-pop”.
Dat doet zeker tekort aan de vriendschappen van Komrij dwars door culturen en landen heen.
Belgie met zijn rol voor “Behoud de Begeerte” jarenlang, Zuid Afrika met het laten herleven van de poezie van Ingrid Jonker; Komrij was overal kind aan huis. En herkende feilloos prestatie en talent.
Hassnae Bouazza, in jouw tijd bij de NRC helaas “bedankt”, zal in de Jury plaatsnemen naast Tom Lanoye en Tommy Wieringa dat polemisch werk van jongeren zal beoordelen in dit programma ter ere van Komrij uitmondend in een Prijsuitreiking wanneer ook de Biografie verschijnt in de Boekenweek 2027:
https://schrijflab.nl/leerlijn/polemiek/
met dank aan het werk van prof. Els Stronks en Micha Hamel
Wellicht wil je hier nader van kennis nemen; een programma over polemiek en dichtkunst (incl. spoken word). Want juist in deze gepolariseerde tijden is het echte debat (zonder het “nu is het mijn beurt”) ook voor jongeren van groot belang.
Groet,
Eveline Klopman
Bestuur Stichting Vrienden van Gerrit Komrij