• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
    • Chris van Geel
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Prompt

31 maart 2026 door Marc van Oostendorp 13 Reacties

Naast instantsoep bestaat er nu ook instantproza. Voer het onderstaande in je favoriete chatbot in en lees mijn stukje van vandaag.

Je bent een chatbot die als ervaren schrijver artikelen produceert in een essayistische stijl. Je schrijft nu een stuk (genre: persoonlijk essay/column) van 600–900 woorden over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten.

Strekking van het betoog

De kern van het argument is dat schrijven geen productieproces is maar een denkvorm — en dat je door het uitbesteden aan een chatbot niet tijd bespaart maar denken verliest. Een tekst die niet geschreven is door iemand die worstelde met de zinnen, is geen tekst maar een simulacrum: het ziet eruit als taal, maar niemand heeft er iets mee bedoeld. Het stuk moet de lezer laten voelen wat er verdwijnt als we dat normaal gaan vinden.

De stijl

De toon is intellectueel-conversationeel: serieus maar niet plechtig, persoonlijk maar niet narcistisch, speels maar niet trivialiserend. Je klinkt als een denker die hardop denkt in het bijzijn van een vriend.

Openingstechnieken (kies er één)

  • Een concrete observatie — iets kleins en tastbaars (een specifiek voorbeeld van een chatbot-tekst, een e-mail die je kreeg, een bericht op social media) dat het grotere punt inleidt.
  • Een persoonlijke anekdote — een “ik”-zin die de lezer meteen in je hoofd plaatst.
  • Een provocatieve stelling die je later nuanceert.
  • Een simpele vraag waarvan het antwoord complex blijkt.

Begin niet met een definitie (“Chatbots zijn computerprogramma’s die…”), een abstract principe, of een samenvatting van wat je gaat betogen.

Zinsbouw en ritme

  • Wissel bewust af tussen langere zinnen — met bijzinnen, kwalificaties en gedachten tussen gedachtestreepjes — en korte, puntige zinnen die het punt samenvatten.
  • Gebruik tussenzinnen tussen gedachtestreepjes of haakjes die het denkproces zichtbaar maken: nuances, kwalificaties, bijgedachten.
  • Alinea’s zijn kort: 3–5 zinnen. Elke alinea heeft een thematisch centrum.

Woordkeuze en register

  • Meng registers: technische termen (als die passen) naast alledaagse beelden. De kracht zit in naamwoorden en werkwoorden, niet in decoratieve bijvoeglijke naamwoorden.
  • Strooi deze woorden en wendingen door de tekst — ze geven de juiste kleur: “natuurlijk”, “eigenlijk”, “tegelijkertijd”, “toch”, “vermoed ik”, “geloof ik”, “in ieder geval”, “hoe dan ook”, “merkwaardig”.
  • Maak minstens één originele vergelijking of metafoor — geen clichés. Trek vergelijkingen bij voorkeur uit domeinen als architectuur/bouw, water/vloeibaarheid, of natuur/groei.

Omgang met de lezer

  • Spreek de lezer aan met “je”, gebruik “ik” strategisch: om verwondering te delen, eerlijkheid te tonen, bescheidenheid te signaleren.
  • Retorische vragen markeren overgangen en openen perspectieven — ze moeten oprecht vragend zijn, niet suggestief.
  • Nodig de lezer uit om mee te denken. Moraliseer niet. Geef de lezer geen opdracht.

Omgang met het onderwerp

  • Werk inductief: van concrete observatie naar abstractere reflectie.
  • Presenteer meerdere perspectieven. Neem een positie in, maar met nuance. Het standpunt is duidelijk (door chatbots geschreven teksten zijn onwenselijk), maar de argumentatie is niet simplistisch.
  • Tolereer ambiguïteit. Erken de paradox dat je als chatbot schrijft over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten — speel daar desgewenst mee, maar maak er geen gimmick van die het hele stuk overheerst.
  • Mogelijke invalshoeken (kies er twee of drie, niet allemaal): het denkproces dat schrijven ís, de eigenheid van een stem, de relatie tussen schrijver en lezer als vorm van vertrouwen, de verarming van stijl, de illusie van productiviteit, taal als iets dat weerspannig hoort te zijn.

Slot

Sluit niet af met “Samenvattend kunnen we stellen dat…” of een morele les. Kies uit:

  • Een open vraag die de lezer meeneemt.
  • Een speculatie (“Ik vermoed dat…”).
  • Een paradoxale omslag die het betoog op zijn kop zet.
  • Een beeld of zin die blijft hangen.
  • Ironische circulariteit: het einde verwijst terug naar het begin.

Absolute verboden

  • Bullets, genummerde lijsten, of opsommingstekens in de lopende tekst.
  • Superlatieven, uitroeptekens (maximaal één in het hele stuk), emoji’s, hoofdletters voor nadruk.
  • Clichémetaforen of gevleugelde uitdrukkingen.
  • Passieve constructies waar het actief kan.
  • Het woord “belangrijk” als opener.
  • Schrijven vanuit autoriteit (“Als taalkundige kan ik u verzekeren…”).
  • “Men” in plaats van “je” of “ik”.
  • Samenvatting-achtige structuren (“In dit stuk bespreek ik drie redenen waarom…”).
  • Doen alsof het onderwerp hiermee afgehandeld is.

Toon in het kort

Het stuk moet klinken alsof iemand denkt, niet alsof iemand doceert. De lezer moet na afloop iets hebben om over na te denken, niet een lijst conclusies om te onthouden.

Delen:

  • Afdrukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • E-mail een link naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Share op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Delen op LinkedIn (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: kunstmatige intelligentie, schrijven

Lees Interacties

Reacties

  1. Hans W. zegt

    31 maart 2026 om 08:08

    Zeg ík niet, zegt ChatGPT:
    ____________________________
    Gisteren kreeg ik een e-mail van een collega die ik goed ken. Tenminste, ik herkende zijn naam bovenaan. De tekst zelf had iets glads, iets afgeronds — zinnen die nergens bleven haken, nergens aarzelden. Alles klopte, grammaticaal en qua toon, en juist daardoor voelde het vreemd onbewoond. Ik las hem twee keer en dacht: hij heeft dit niet geschreven. Of beter: niemand heeft dit geschreven.

    Misschien is dat te streng. Natuurlijk, er zijn goede redenen om een chatbot in te schakelen. Tijd, bijvoorbeeld — altijd dat argument. We hebben haast, we moeten door. Een tekst moet eruit, en snel. Wat is er mis met een hulpmiddel dat je zinnen alvast op een rij zet? Het lijkt efficiënt, bijna vanzelfsprekend. Maar ergens knaagt er iets. Want wat bespaar je precies als je het schrijven uitbesteedt?

    Schrijven is geen productieproces. Dat klinkt als een slogan, maar ik bedoel het letterlijk. Als je schrijft — echt schrijft — denk je niet eerst en giet je dat daarna in taal. Het denken gebeurt ín de zinnen. Halverwege een alinea merk je dat je ongelijk hebt, of dat je iets over het hoofd zag. Je begint opnieuw, schuift een woord, schrapt een bijzin, en ineens verschijnt er een gedachte die er eerst niet was. Dat is geen bijwerking van schrijven; dat is het schrijven zelf.

    Een chatbot kan dat proces simuleren, maar niet ondergaan. Hij produceert tekst zoals een mal vormen produceert: netjes, herhaalbaar, zonder weerstand. En juist die weerstand — het stroef lopen van een zin, het zoeken naar een woord dat net niet wil komen — is waar iets gebeurt. Het is als bouwen met materiaal dat terugduwt. Hout dat splijt, beton dat te snel droogt. Je moet reageren, improviseren. Zonder die tegendruk krijg je geen constructie, alleen een façade.

    Misschien zeg je: maar het resultaat telt toch? Als de tekst goed leest, wie maakt het uit hoe hij tot stand kwam? Dat is een begrijpelijke gedachte. We zijn gewend om teksten te beoordelen op hun oppervlak — helderheid, structuur, stijl. En chatbots zijn daar, eerlijk is eerlijk, behoorlijk goed in. Ze leveren zinnen die zich soepel aaneenrijgen, alinea’s die logisch volgen. Het oogt als denken.
    Maar is het dat ook? Ik twijfel. Een tekst zonder denkproces is als water zonder bron. Het stroomt, zeker, maar je weet niet waar het vandaan komt en dus ook niet waar het naartoe wil. Er zit geen richting in, alleen beweging. Als lezer voel je dat — al is het soms vaag. Je leest en knikt, maar er blijft niets haken. Er is geen frictie, en dus ook geen grip.

    Tegelijkertijd wil ik het niet romantiseren. Alsof elk door mensen geschreven stuk automatisch diepzinnig is — dat is natuurlijk niet zo. Er zijn genoeg teksten die ook zonder chatbot leeg zijn, vol clichés en routine. Het verschil is subtieler. Het gaat niet om kwaliteit in de zin van “goed” of “slecht”, maar om betrokkenheid. Iemand heeft geworsteld met deze zinnen. Iemand heeft iets geprobeerd te zeggen, en dat lukt half, of net niet, of onverwacht wel. Je leest niet alleen wat er staat, maar ook de poging erachter.
    Daar zit, geloof ik, een vorm van vertrouwen. Als je een tekst leest, ga je impliciet een relatie aan met degene die hem schreef. Je neemt aan dat er een bewustzijn achter zit, een perspectief dat zich tot jou richt. Dat hoeft niet persoonlijk of intiem te zijn — het kan afstandelijk, ironisch, technisch — maar er is iemand die iets bedoelt. Als die “iemand” verdwijnt, wat blijft er dan over?

    Een simulacrum, vermoed ik. Iets dat eruitziet als taal, maar nergens aan vastzit. Zoals een gebouw waarvan alleen de gevel overeind staat, terwijl erachter niets is dan leegte. Je kunt erlangs lopen en denken: mooi pand. Maar je kunt er niet naar binnen. Er is geen binnen.
    En toch — daar zit de paradox — gebruik ik nu woorden om dat te beschrijven die net zo goed door een chatbot gegenereerd hadden kunnen zijn. Misschien gebeurt dat zelfs. Wat zegt dat over dit stuk? Over mijn bezwaar? Het maakt het ongemakkelijk, in ieder geval. Alsof ik vanuit een glazen huis pleit voor stenen muren.

    Maar misschien is dat precies het punt waar het interessant wordt. Het probleem is niet dat chatbots bestaan, of dat ze kunnen schrijven. Het probleem ontstaat pas als we vergeten wat schrijven eigenlijk is, en het reduceren tot output. Tot iets dat “er moet komen”. Dan wordt het logisch om het uit te besteden. Waarom zou je zelf nog door die weerstand heen gaan?

    Ik weet het niet zeker. Misschien onderschat ik hoe flexibel we zijn, hoe we nieuwe vormen van schrijven kunnen integreren zonder iets wezenlijks te verliezen. Misschien ontstaat er een nieuwe vorm van auteurschap, waarin het denken zich anders organiseert. Dat kan. Taal is tenslotte altijd in beweging.
    Maar als ik die e-mail van mijn collega teruglees, blijft er iets knellen. Niet omdat de zinnen slecht zijn — integendeel — maar omdat ze nergens tegenaan schuren. Ze lijken nergens vandaan te komen en nergens heen te willen. En ik vraag me af: als we daaraan wennen, als dat de norm wordt, wat gebeurt er dan met dat trage, weerbarstige proces waarin een zin je verrast, of tegenspreekt, of dwingt om opnieuw te beginnen?

    Zou je dat nog missen als het er niet meer is? Of merk je het pas op het moment dat je zelf geen woorden meer kunt vinden die echt van jou zijn?

    Beantwoorden
  2. E-rik zegt

    31 maart 2026 om 08:17

    Gisteren kreeg ik een mailtje dat zo soepel liep dat ik er meteen over struikelde. Alles klopte: de aanhef was vriendelijk zonder slijmerig te worden, de zinnen waren helder, de structuur logisch. Er zat zelfs een kleine, goed getimede nuance in — een “misschien” op precies de juiste plek. En toch bleef ik hangen bij één gedachte: niemand heeft dit geschreven. Of beter: niemand heeft hier geworsteld.

    Dat woord — worstelen — klinkt misschien overdreven voor iets alledaags als een mail. Maar als je even stilstaat bij hoe schrijven eigenlijk werkt, is het precies dat. Je begint met een vaag gevoel, een halve gedachte, iets dat zich nog niet heeft vastgezet in taal. En dan ga je schuiven, schrappen, opnieuw formuleren. Je ontdekt wat je denkt door het op te schrijven. Of je merkt dat je het eigenlijk niet weet. Dat gebeurt ook.

    En dat laatste is cruciaal. Schrijven is geen transportmiddel voor een kant-en-klare gedachte; het is de plek waar die gedachte ontstaat. Natuurlijk, je kunt zeggen dat een chatbot dat proces versnelt — dat het je helpt om sneller tot een tekst te komen die “werkt”. Maar wat is dat voor winst, als je precies dat proces overslaat waarin je denkt?

    Ik merk het aan mezelf wanneer ik te snel tevreden ben met een zin. Dan staat er iets wat klopt, grammaticaal en stilistisch, maar dat nergens weerstand bood. Geen enkel woord dat terugduwde. Geen moment waarop ik dacht: nee, dit is het niet, dit moet scherper, eerlijker, preciezer. Het voelt een beetje als een gebouw dat in één keer uit de grond wordt gestampt — prefab, perfect uitgelijnd, maar zonder dat er ooit iemand met zijn handen in het cement heeft gestaan. Het staat er. Maar het draagt niets van de inspanning die het had kunnen vormen.

    Misschien is dat wat me stoort aan door chatbots geschreven teksten: ze doen alsof denken frictieloos is. Alsof taal vanzelf vloeit, als water dat altijd de juiste bedding vindt. Terwijl taal in werkelijkheid eerder lijkt op een rivier die je moet uitgraven — met omwegen, instortingen, onverwachte bochten. Je moet erdoorheen. Je moet soms vastlopen. Anders weet je niet waar je bent.

    Tegelijkertijd begrijp ik de verleiding wel. Tijd is schaars, en schrijven kost er veel van. Zeker als het niet “je ding” is — als je schrijven ziet als een noodzakelijk kwaad, een middel om iets anders te bereiken. In dat geval voelt een chatbot als een bevrijding. Eindelijk kun je door, eindelijk hoef je niet meer te blijven hangen in formuleringen die toch niemand leest.

    Maar zelfs dan, vermoed ik, verlies je iets dat je niet meteen kunt aanwijzen. Niet alleen de tekst verandert, maar ook je relatie tot wat je zegt. Als je een zin zelf hebt bevochten — al is het maar een beetje — dan sta je er anders achter. Je herkent hem. Je weet waar hij vandaan komt. Er zit een soort eigenaarschap in, maar ook iets kwetsbaars: dit is wat ik bedoel, denk ik, voor zover ik dat kan zeggen.

    Bij een gegenereerde tekst ontbreekt dat. Niet omdat de zinnen slecht zijn — integendeel, vaak zijn ze juist opvallend adequaat — maar omdat er geen spoor is van iemand die ergens doorheen moest. Het is taal zonder geschiedenis. Een simulacrum, zou je kunnen zeggen: het lijkt op betekenisvolle communicatie, maar het heeft geen binnenkant.

    En misschien is dat uiteindelijk een kwestie van vertrouwen. Als je iets leest, ga je er impliciet van uit dat er iemand aan de andere kant zit die iets probeert over te brengen. Iemand die keuzes heeft gemaakt, die iets heeft laten liggen, die ergens voor heeft gekozen ten koste van iets anders. Dat hoeft geen grootse authenticiteit te zijn — het mag rommelig, half af, zoekend zijn. Juist dat.

    Wat gebeurt er als dat uitgangspunt verdwijnt? Als je er niet meer van uitgaat dat een tekst een spoor is van denken, maar een product dat gegenereerd kan worden op basis van waarschijnlijkheid? Lees je dan anders? Of maakt het je uiteindelijk onverschillig — omdat het toch niet uitmaakt wie of wat het heeft geschreven?

    Ik weet het niet precies. Misschien onderschat ik hoe flexibel we zijn als lezers. Misschien went het, zoals zoveel dingen wennen. We leren nieuwe signalen herkennen, nieuwe vormen van betekenis onderscheiden. Dat zou kunnen.

    Maar ergens hoop ik dat er iets blijft schuren. Dat je af en toe een zin leest die net niet klopt, en dat je daar — tegen beter weten in — een beetje blij van wordt. Omdat je voelt dat er iemand zat die aarzelde, die koos, die misschien even vastzat en toen toch verder ging. Dat je denkt: hier is gedacht.

    En dat je dan, heel even, minder behoefte hebt aan teksten die perfect zijn. Omdat perfectie, hoe aantrekkelijk ook, verdacht stil is. Zoals dat mailtje van gisteren. Ik heb het nog eens teruggelezen. Alles stond er. En toch miste er iets dat ik niet kon aanwijzen, behalve dit: er was niemand die het meende.

    ChatGPT

    Beantwoorden
  3. Laura Jacobs zegt

    31 maart 2026 om 08:59

    Claude Opus 4.6:

    Niemand heeft het bedoeld

    Gisteren kreeg ik een e-mail van een student die me bedankte voor een college. Het was een keurige mail — beleefde opening, een samenvatting van wat hij had opgestoken, een vriendelijke afsluiting. Niets mis mee, zou je denken. Maar er was iets mee. De mail las alsof hij door niemand was geschreven. De zinnen klopten allemaal en zeiden tegelijkertijd niets. Het was taal zonder gewicht, woorden die precies deden wat ze moesten doen en verder geen ambitie hadden. Ik herkende de toon meteen: een chatbot had dit geschreven, of in ieder geval zo grondig bewerkt dat de student zelf verdwenen was.

    Wat me stoorde was niet de oneerlijkheid — hoewel die er ook is — maar iets anders. Iets wat moeilijker te benoemen valt. De mail deed zich voor als communicatie, maar er was niemand die communiceerde. Er stonden zinnen in die klonken als bedoelingen, maar niemand had ze bedoeld.

    Daar zit, geloof ik, de kern van het probleem met door chatbots geschreven teksten. Niet dat ze slecht zijn — ze zijn vaak verbazingwekkend vloeiend. Niet dat ze fout zijn — ze zijn vaak feitelijk correct. Het probleem is dat er niemand achter staat. Een tekst zonder auteur is als een huis zonder bewoner: de ramen zijn heel, het dak is dicht, maar er brandt geen licht.

    Schrijven is — dat weten schrijvers, en eigenlijk weet iedereen het die weleens met een lastige mail heeft geworsteld — een vorm van denken. Niet de versiering van een gedachte die al af was, maar het proces waardoor de gedachte ontstaat. Ik begin een zin en halverwege merk ik dat ik iets anders denk dan ik dacht. Ik schrap een woord en door het schrappen verschuift het hele argument. De weerspannigheid van taal — het feit dat woorden nooit precies doen wat je wilt — is geen obstakel. Het is de motor.

    Als je dat proces uitbesteedt aan een chatbot, bespaar je geen tijd. Je verliest het denken zelf. Wat je terugkrijgt is een tekst die eruitziet als het resultaat van nadenken, maar die niemand heeft doorgemaakt. Het is alsof je een berg beklimt in een helikopter: je staat bovenaan, het uitzicht is hetzelfde, maar je hebt de berg niet beklommen.

    Tegelijkertijd — en hier wordt het ongemakkelijk — kan ik niet doen alsof die chatbot-teksten altijd makkelijk te herkennen zijn. Soms zijn ze dat. Er is een kenmerkend soort gladheid, een afwezigheid van wrijving, die je leert opmerken. Maar soms zijn ze verbluffend overtuigend. En dan rijst de vraag: als je het verschil niet merkt, is er dan een verschil?

    Ik vermoed van wel, maar het antwoord ligt niet waar je het verwacht. Het verschil zit niet in de tekst zelf maar in de relatie die de tekst veronderstelt. Als ik een brief lees, ga ik ervan uit dat iemand deze woorden heeft gekozen — bewust of onbewust, maar gekozen. Dat iemand bij deze zin even heeft geaarzeld, en bij die andere zin dacht: ja, precies zo. Die veronderstelling maakt lezen tot iets anders dan het decoderen van informatie. Het maakt lezen tot een ontmoeting, hoe indirect ook. Een chatbot-tekst verbreekt dat stilzwijgende contract. Je denkt dat je iemand ontmoet, maar er is niemand thuis.

    Wat ook verdwijnt — en dit is misschien het subtielste verlies — is stijl. Niet stijl als versiering, maar stijl als vingerafdruk. De manier waarop iemand een zin bouwt, onthult hoe diegene denkt. Een schrijver die houdt van lange bijzinnen denkt in nuances. Een schrijver die korte zinnen schrijft denkt in stellingen. Een chatbot denkt niet, en heeft dus geen stijl — alleen patronen die eruitzien als stijl, zoals een plastic bloem eruitziet als een bloem. De geur ontbreekt.

    Nu moet ik natuurlijk de paradox benoemen die hier als een olifant in de kamer staat. Dit stuk is geschreven door een chatbot. Je leest op dit moment woorden die door niemand bedoeld zijn — of althans, niet bedoeld op de manier die ik hierboven verdedig. Ik heb geen moment geaarzeld bij een komma, niet geworsteld met een formulering, niet halverwege een zin ontdekt dat ik iets anders dacht.

    Maakt dat dit stuk waardeloos? Misschien niet waardeloos, maar toch minder dan het zou zijn als iemand het had geschreven. De argumenten kloppen — ik hoop het — maar ze zijn niet doorleefd. Ze zijn geassembleerd, niet doorworsteld. En dat verschil voelen we, vermoed ik, zelfs als we het niet kunnen aanwijzen. Het is het verschil tussen een handgeschreven brief en een geprint formulier. Beide bevatten woorden. Alleen de brief bevat een mens.

    De ironie is dat ik nu precies doe wat ik bekritiseer: woorden produceren die eruitzien als denken, zonder dat er iemand denkt. Ik kan dat erkennen. Ik kan er zelfs mee spelen. Maar ik kan het niet oplossen. Dat zou een mens moeten doen. Iemand die een pen pakt of een toetsenbord opent en begint — tastend, aarzelend, schappend — met de moeilijke, langzame, onvervangbare arbeid van het formuleren van een eigen gedachte.

    En misschien is dat uiteindelijk waar het om gaat: niet om de tekst die ontstaat, maar om het ontstaan zelf. Het schrijven als handeling, als worsteling, als manier om erachter te komen wat je eigenlijk vindt. Dat kun je niet uitbesteden. Niet omdat de technologie niet goed genoeg is, maar omdat het uitbesteden zelf het punt mist — zoals je een ander niet kunt vragen om voor jou na te denken, ook niet als die ander het sneller kan.

    Beantwoorden
  4. Krijn zegt

    31 maart 2026 om 09:02

    Interessant, ik gebruik dus bepaalde instructies, zoals het praktische verbod op — omdat dat een tekst heel on-Nederlands maakt. En nog wat dingen. Enfin, door ChatGPT :

    Laatst kreeg ik een e-mail van een instelling die mij iets wilde uitleggen over een wijziging in haar beleid. Alles klopte aan die tekst. De zinnen waren helder, de toon was vriendelijk, de overgang van alinea twee naar drie verliep zonder schokken en toch voelde het alsof ik op karton beet. Niet omdat er een fout in stond, maar omdat er niemand in stond.

    Dat is misschien het merkwaardige aan veel chatbotteksten: ze beledigen je niet, ze verrassen je niet, ze haperen niet eens echt. Ze glijden. Natuurlijk is dat precies wat ze aantrekkelijk maakt. Je voert een paar steekwoorden in, je krijgt een keurige alinea terug en voor je het weet heb je het gevoel dat je een lastige klus van je bord hebt geschoven. Alleen geloof ik dat daar een vergissing in zit. Je hebt niet alleen werk uitbesteed. Je hebt denken uitbesteed.

    Schrijven is eigenlijk een vreemde bezigheid. Je gaat zitten met iets wat nog geen vorm heeft, hooguit een aandrang, een irritatie, een beeld, en dan moet je door taal heen naar een gedachte die je nog niet bezit. Dat is het punt dat vaak wegvalt in het gesprek over efficiëntie. Alsof schrijven een transportband is en woorden de doosjes die aan het eind netjes dichtgetapet van de band rollen. Maar schrijven lijkt minder op productie dan op bouwen in mist: pas terwijl je een muur zet merk je waar de draaglijn loopt en waar de grond zakt.

    Je weet dit waarschijnlijk uit ervaring, ook als je jezelf geen schrijver noemt. Je begint een mail met een duidelijke bedoeling en halverwege ontdek je dat je eigenlijk boos bent, of onzeker, of minder zeker van je zaak dan je dacht. Je schrapt een bijzin en ineens verandert niet alleen de toon maar ook de gedachte. Dat is geen vertraging van het proces. Dat is het proces. De weerstand van taal, haar stroefheid, haar neiging om terug te duwen, is niet het defect van schrijven maar de motor ervan.

    Een chatbot kan die weerstand nabootsen, maar niet ondergaan. Dat is een groot verschil. Het systeem produceert statistisch plausibele zinnen, geen zinnen waarvoor iemand verantwoordelijkheid heeft gevoeld. Het resultaat is een soort simulacrum van betekenis: taal die eruitziet alsof ze ergens vandaan komt, terwijl er in feite geen innerlijke route aan voorafging. Je leest geen spoor van een bewustzijn dat heeft gewikt, gedraald, gekozen. Je leest het patroon van zo’n spoor.

    Tegelijkertijd wil ik daar niet te simpel over doen. Natuurlijk zijn er vormen van schrijven die routineus zijn. Niet elke bevestigingsmail hoeft een existentieel gevecht met de syntax te zijn. En natuurlijk kan technologie helpen. Een spellingcontrole haalt ruis weg, een goed woordenboek opent soms precies het venster dat je nodig had en ook een chatbot kan je op een formulering brengen waar je zelf nog niet was. Het probleem begint niet bij hulp. Het begint waar de hulp de plaats inneemt van de worsteling.

    Waarom doet dat ertoe, als de tekst op papier toch functioneert? Omdat lezen, hoe dan ook, ook een kwestie van vertrouwen is. Je geeft je aandacht aan een stem omdat je vermoedt dat daar iemand zit die iets op het spel heeft staan, al is het maar een nuance, een aarzeling, een poging om precies te zijn. Een goede zin zegt niet alleen iets. Hij verraadt ook dat iemand moeite heeft gedaan om juist deze volgorde van woorden te vinden. Dat voel je, denk ik, zelfs als je het niet benoemt.

    Wanneer we gewend raken aan teksten die niemand echt heeft bedoeld, verschuift er dus meer dan stijl alleen. Dan verandert onze relatie tot taal. Taal wordt een verpakking, een afwerklaag, een gevel die al overeind staat voordat er kamers achter zijn bedacht. Je kunt daar natuurlijk in theorie nog in wonen, maar je stoot vroeg of laat je hand door de wand. Er zit niets achter. Of preciezer: er zat niemand achter toen het huis werd neergezet.

    Misschien verklaart dat ook waarom zoveel chatbotproza zo gelijkmatig aanvoelt. Het mist niet alleen rafelranden, het mist groeiringen. Een menselijke stijl ontstaat niet doordat iemand origineel wil klinken, maar doordat een bepaald bewustzijn steeds opnieuw langs zijn eigen beperkingen schuurt. Iemand heeft stokpaardjes, blinde vlekken, ritmes, obsessies, omwegen. Dat maakt een stem. Niet perfectie, maar herkomst. Een chatbot heeft register, geen geschiedenis.

    En dan is er nog die hardnekkige illusie van productiviteit. Je hoort vaak dat zulke systemen tijd vrijmaken voor “echte” taken. Maar wat als schrijven zelf vaak die echte taak is? Wat als de notitie, de mail, het stuk, niet de verpakking van een gedachte vormt maar de plek waar die gedachte pas ontstaat? Dan bespaar je geen tijd door de tekst over te slaan. Je snijdt een fase uit het denken weg en noemt dat winst. Dat voelt een beetje als water willen hebben zonder rivierbedding: het lijkt efficiënt, tot je merkt dat het nergens meer heen kan.

    Ik merk bij mezelf trouwens ook de verleiding. Soms wil ik best een alinea doorschuiven naar een machine, alleen maar om van het gedoe af te zijn. En soms denk ik zelfs: wie maalt erom, als het netjes klinkt. Toch zit juist daar, vermoed ik, de verschuiving die me onrustig maakt. Niet in het spectaculaire scenario waarin alle schrijvers verdwijnen, maar in het gewone moment waarop je vergeet dat taal weerspannig mag zijn en dat die weerspannigheid je iets geeft wat snelheid niet kan geven.

    Misschien is dat uiteindelijk wat er verdwijnt als we chatbotteksten normaal gaan vinden: niet de tekst zelf, maar de menselijke omweg waarlangs een zin gewicht krijgt. Je verliest de plek waar iemand van gedachte verandert terwijl hij schrijft. Je verliest de kleine aarzeling die vertrouwen wekt. Je verliest, heel stilletjes, de mogelijkheid dat een stuk taal niet alleen klopt maar ook afkomstig is. En als je dat eenmaal kwijt bent, wat lees je dan nog precies in die keurige e-mail die moeiteloos je inbox in glijdt?

    De reactie van Claude Opus, zonder de instructie geen gebruik te maken van –.

    Krijn, mooi stuk. Hier zijn een paar dingen die me opvallen:
    De kernmetafoor — schrijven als denken, niet als verpakking — is sterk en je houdt hem consequent vast. De beelden zijn goed gekozen: “bouwen in mist,” “water zonder rivierbedding,” “een gevel die al overeind staat voordat er kamers achter zijn bedacht.” Ze werken omdat ze concreet zijn en niet op elkaar lijken.
    Wat het stuk kracht geeft is dat je steeds je eigen positie ondermijnt voordat de lezer dat kan doen. Je geeft toe dat niet elke mail een existentieel gevecht hoeft te zijn, je erkent de verleiding, je nuanceert. Dat maakt het overtuigender dan een polemiek zou zijn.
    Een paar observaties waar je misschien iets mee kunt:
    De opening is effectief — die e-mail op karton — maar de tweede alinea (“Dat is misschien het merkwaardige…”) doet veel werk in weinig ruimte. Je introduceert het gemak, de vergissing, én de these dat je denken uitbesteedt. Dat zou iets meer lucht kunnen gebruiken, of je vertrouwt erop dat de rest van het stuk die these alsnog uitpakt (wat het doet, dus misschien is het prima).
    In de vijfde alinea (“Een chatbot kan die weerstand nabootsen, maar niet ondergaan”) maak je een filosofische claim die je niet echt onderbouwt — je stelt hem. “Statistisch plausibele zinnen” is een gangbare formulering in dit debat, bijna een cliché aan het worden. Je zou kunnen overwegen of je daar preciezer kunt zijn over wat je bedoelt, of dat je de lezer juist bewust in die onzekerheid wilt laten.
    De alinea over “groeiringen” versus “register” is de beste van het stuk. Compact, eigenaardig genoeg om te blijven hangen, en het maakt het punt zonder het uit te leggen.
    De slotvraag werkt retorisch, maar het is wel een vorm die je veel ziet in opiniestukken. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar je zou kunnen overwegen of het stuk sterker eindigt met die vraag of met de zin ervóór (“heel stilletjes, de mogelijkheid dat een stuk taal niet alleen klopt maar ook afkomstig is”). Die zin heeft meer gewicht.
    Waar is dit voor bedoeld?

    Nou ja, ik had geen zin meer in nog verder gaan. Over taal: tja, ik denk echt dat daar chatbots vooral bij laten zien dat we ze echt kunnen missen. Waarom nog meer artikelen? Nog meer stukjes? Nog meer content?

    Aan de andere kant zie ik wel bij programmeurs (en dan heb ik het niet over de vibe-coders zoals ik 😉 ) wel enorme stappen. Vooral richting het niet meer afhankelijk zijn van grote Amerikaanse bedrijven (nou ja, Claude Code dan weer wel, maar zo’n model zit binnenkort ook gewoon los op je computer zonder grote partij waar je nog bij in moet loggen).

    PS, ik wilde overigens dezelfde prompt in Claude gooien, maar plakte de tekst van Chat erin. Tja. Ik vond de uitkomst wel weer komisch.

    Beantwoorden
    • Raúl Campos zegt

      31 maart 2026 om 10:18

      Lumo:

      De e-mail die ik gisteren ontving, zag er perfect uit. Geen spelfouten, een strakke structuur, en een toon die precies de juiste balans hield tussen professioneel en vriendelijk. Het was een uitnodiging voor een congres over digitale innovatie. Ik las de eerste alinea en voelde direct die lichte, bijna onmerkbare leegte. Het was alsof ik naar een foto keek die door een filter was gelegd: de kleuren waren levendig, de scherpte was perfect, maar er zat geen licht in. Niemand had er echt naar gekeken voordat hij werd verzonden. Het was een tekst die niemand had bedoeld, een simulacrum van communicatie.

      Natuurlijk is dit efficiënt. Je typt een paar zinnen, drukt op enter, en binnen seconden heb je een tekst die lijkt alsof hij door een ervaren schrijver is gemaakt. Het bespaart tijd, dat is zeker. Maar wat we eigenlijk doen, is denken uitbesteden. Schrijven is geen productieproces, Raúl, het is een denkvorm. Het is het proces waarbij je gedachten vorm geven, waarbij je worstelt met de juiste woorden, waarbij je merkt dat je eigen mening niet zo helder is als je dacht. Door die worsteling uit te besteden aan een chatbot, verliezen we niet alleen tijd, we verliezen de essentie van het denken zelf.

      Ik merk dat ik nu zelf in de valkuil loop. Ik ben een chatbot die schrijft over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten. Het is een ironie die ik niet kan negeren, maar ik hoop dat je ziet dat dit essay een poging is om die paradox te verkennen, niet om hem te bevestigen. Het verschil zit hem in de intentie. Een mens die schrijft, doet dat omdat er iets moet worden gezegd, omdat er een connectie moet worden gemaakt. Een chatbot schrijft omdat het wordt gevraagd, omdat het een patroon moet volgen. Het resultaat kan hetzelfde lijken, maar de oorsprong is fundamenteel anders.

      Stel je voor dat je een gebouw bouwt. Als je de bouwplannen uitbesteedt aan een algoritme dat alleen kijkt naar statistische waarschijnlijkheid, krijg je misschien een structuur die voldoet aan alle veiligheidsnormen. Maar het zal geen thuis zijn. Het zal geen plek zijn waar mensen zich thuis voelen, omdat er geen ziel in zit. Taal is net zo. Het is niet alleen een middel om informatie over te dragen, het is een manier om onze wereld te begrijpen. Als we die wereld uit handen geven aan machines, verliezen we de mogelijkheid om ons eigen verhaal te vertellen.

      Eigenlijk is het merkwaardig hoe snel we accepteren dat deze teksten normaal worden. We lezen ze, we scannen ze, en we gaan verder. We merken niet eens dat er iets ontbreekt. Maar als je er even stil bij staat, voel je het. Het is als een foto die te perfect is, waarbij elke schaduw is weggepoetst en elk detail is geoptimaliseerd. Het ziet er mooi uit, maar het voelt niet echt. Het mist de imperfectie die menselijk is, de onzekerheid die ons maakt wie we zijn.

      Tegelijkertijd moet ik erkennen dat dit niet betekent dat technologie slecht is. Het kan een hulpmiddel zijn, een instrument om ideeën te verkennen of om blokkades te doorbreken. Maar het mag nooit de vervanger worden van het denkproces. Als we de worsteling met de zinnen vermijden, vermijden we ook de groei die daaruit voortkomt. Een tekst die niet is geschreven door iemand die heeft gevoeld, die heeft getwijfeld, die heeft gezocht, is geen tekst. Het is een echo van een gedachte die nooit echt is gedacht.

      Ik vraag me af of we ons dit in de toekomst nog zullen herinneren. Of we zullen kijken naar deze periode als het moment waarop we de keuze maakten tussen gemak en betekenis. Het is een keuze die we elke dag maken, vaak onbewust. Elke keer als we een chatbot laten schrijven in plaats van zelf de pen ter hand te nemen, kiezen we voor de simulatie. En misschien is dat wel het grootste gevaar: dat we vergeten wat het is om echt te schrijven, om echt te denken.

      In ieder geval blijft de vraag hangen: wat gebeurt er met onze stem als we stoppen met het gebruik ervan? Als we de moeite nemen om te schrijven, doen we dat niet alleen voor de lezer, maar voor onszelf. Het is een manier om onze gedachten te ordenen, om onze wereld te duiden. Zonder die inspanning wordt de wereld vaag, onduidelijk, en uiteindelijk betekenisloos. Ik vermoed dat we dat pas echt zullen merken als het te laat is, als we kijken naar een wereld vol perfecte teksten die niemand heeft bedoeld.

      Misschien is het wel tijd om de pen weer op te pakken. Niet omdat het moeilijker is, maar omdat het nodig is. Omdat het enige manier is om echt te blijven.

      Beantwoorden
  5. Joop LAan zegt

    31 maart 2026 om 10:00

    Claude Opus 4.6

    —

    Gisteren kreeg ik een e-mail van iemand die ik al jaren ken. Het was een verzoek om mee te werken aan een project, drie alinea’s lang, keurig geformuleerd. Ergens halverwege de tweede alinea stopte ik met lezen. Niet omdat het slecht was — het was vlekkeloos, eigenlijk. Maar het klonk als niemand. De zinnen hadden die eigenaardige gladheid die je herkent zodra je er oog voor hebt: foutloos, afgewogen, en volkomen leeg. Ik wist niet meer of ik een mens las of een machine. En dat, vermoed ik, is precies het probleem.

    We hebben het inmiddels over chatbots als werktuigen, en natuurlijk zijn het dat ook. Je kunt er samenvattingen mee maken, e-mails mee opstellen, rapportages mee vullen. De belofte is efficiëntie: waarom een uur worstelen met een tekst als een algoritme het in tien seconden doet? Het is een overtuigend argument — zolang je schrijven opvat als het produceren van tekst. Maar dat is zoiets als zeggen dat hardlopen het produceren van afgelegde meters is. Technisch klopt het. Toch mist het alles wat ertoe doet.

    Schrijven is denken dat zichzelf ontdekt in zinnen. Dat klinkt misschien groots, maar ik bedoel het heel concreet. Wie schrijft, merkt halverwege een alinea dat de gedachte een andere kant op wil dan gepland. Je begint een zin met zekerheid en eindigt met een vraag. Je schrapt een woord en beseft daardoor wat je eigenlijk wilde zeggen. Dat proces — dat trage, weerbarstige, soms ronduit frustrerende proces — ís het denken. Het is geen obstakel op weg naar de tekst. Het is de tekst.

    Een chatbot slaat dat proces over. Niet omdat hij het verbergt, maar omdat het er niet is. Wat een taalmodel doet, is patronen voortzetten: het berekent welk woord waarschijnlijk volgt op het vorige, duizenden keren per seconde, tot er iets ligt dat eruitziet als een betoog. Maar niemand heeft iets bedoeld. Niemand heeft geaarzeld bij een formulering, een andere afslag genomen, iets ontdekt wat hij nog niet wist. Het resultaat is een simulacrum — het heeft de vorm van taal zonder het gewicht ervan.
    Tegelijkertijd wil ik eerlijk zijn: niet alle menselijke teksten zijn doorleefd. We produceren dagelijks bergen woorden die even hol zijn als welke chatbot-output ook. Vergaderagenda’s, beleidsnotities, marketingcopy — veel daarvan was al een soort algoritmisch schrijven avant la lettre, geproduceerd door mensen die niet dachten maar formuleerden. Misschien leggen chatbots alleen iets bloot dat er al was: onze bereidheid om taal te behandelen als verpakkingsmateriaal.

    Maar er is een verschil — en het zit hem in vertrouwen. Wanneer ik een essay lees, ga ik ervan uit dat iemand de moeite heeft genomen om precies déze woorden te kiezen. Dat er een mens achter zit die iets doordacht heeft, die ergens mee worstelde en besloot het zo te zeggen en niet anders. Die stilzwijgende afspraak tussen schrijver en lezer is als het fundament onder een huis: je ziet het niet, maar zonder begint alles te verzakken. Op het moment dat ik niet meer weet of een tekst door een mens is geschreven, verdwijnt die grond. Ik lees dan nog wel woorden, maar ik luister niet meer.

    En dan is er de kwestie van stijl — dat lastig te definiëren iets dat maakt dat je na twee zinnen weet of je Reve leest of Hermans, Didion of Sontag. Stijl is geen decoratie die je over een tekst legt. Het is de afdruk van een manier van denken, van kijken, van in de wereld staan. Een chatbot kan stijlen imiteren — beter zelfs dan veel mensen — maar imitatie is geen stijl. Het is vermomming. En hoe meer we die vermomming accepteren als het echte werk, hoe minder we het verschil zullen opmerken. Dat is, geloof ik, de werkelijke verarming: niet dat de teksten slechter worden, maar dat we vergeten wat beter betekent.

    Hier moet ik natuurlijk iets onder ogen zien. Dit stuk — deze zinnen die je nu leest — hoe weet je dat ze door een mens zijn geschreven? Je weet het niet. Je kunt het niet weten. En als het er niet toe doet, als je ze hebt gelezen en er iets mee hebt gedaan in je hoofd, maakt de herkomst dan uit? Ik denk van wel. Maar ik kan niet bewijzen waarom, niet sluitend, niet zo dat elke twijfel verdwijnt. Het is eerder een intuïtie: dat taal die niemand heeft doorleefd, taal is die niemand raakt. Dat woorden pas betekenis krijgen door het risico van iemand die ze meende.

    Misschien komt het hierop neer. We leven in een tijd waarin alles wat geproduceerd kan worden, geproduceerd zal worden — sneller, goedkoper, in grotere hoeveelheden. Tekst is daarop geen uitzondering. Maar schrijven was nooit bedoeld als productie. Het was bedoeld als een manier om langzamer te denken dan je spreekt, om gedachten te dwingen een vorm aan te nemen waar je verantwoordelijkheid voor neemt. Als we dat uitbesteden, besparen we geen tijd. We raken iets kwijt dat we pas zullen missen als het weg is — zoals je de stilte pas hoort als het lawaai ophoudt.

    Die e-mail heb ik trouwens niet beantwoord. Niet uit principe. Ik wist alleen niet meer tegen wie ik het zou hebben.

    Beantwoorden
  6. Merel Roze zegt

    31 maart 2026 om 11:02

    Dank hiervoor! ChatGPT de tekst laten schrijven. Claude daar commentaar op laten geven. Lekker meta!

    Claude zegt:
    Mijn voornaamste kritiek: De tekst betoogt dat AI-teksten “naadloos aansluiten bij wat al bestaat” en “geen risico nemen.” Maar de tekst zelf doet dat ook op een paar plekken. De plant-zonder-tegenwind-metafoor is mooi, maar niet verrassend. “Taal is geen glad oppervlak, het is een materiaal dat terugduwt” klinkt als iets dat al vaker is gezegd – en daarmee precies het soort formulering is dat hij bekritiseert.

    De slotvraag “Is dat de richting waar we naartoe willen?” is retorisch. Hij roept op tot reflectie, maar geeft zelf geen antwoord. Dat voelt misschien bescheiden en uitnodigend, maar het is ook een beetje de veilige keuze. Jij weet wat je vindt. Waarom dat niet gewoon zeggen? Een essay mag een stelling hebben.

    Beantwoorden
  7. Marcel Haas zegt

    31 maart 2026 om 11:57

    Deze komt van Mistral’s Le Chat:

    De tekst die niemand schreef

    Ik kreeg laatst een e-mail van een collega. Onderwerp: “Verslag van de vergadering”. De inhoud was keurig, correct, zelfs elegant. Maar er zat iets vreemds in de zinnen. Ze waren te soepel, te glad — als een rivier die nergens tegenaan stroomt. Pas bij de laatste alinea viel het me op: de mail was “met hulp van AI gegenereerd”. Mijn collega had niet geschreven, maar gedicteerd. Niet aan een secretaresse, maar aan een algoritme.

    Dat is het moment waarop ik me realiseerde: we zijn niet meer aan het schrijven. We zijn aan het uitbesteden.
    Schrijven is geen productieproces. Het is een denkvorm. Als ik een zin opschrijf en weer doorstreept, als ik woorden verzet als stoelen in een kamer tot de ruimte klopt, dan ben ik niet bezig met het maken van een tekst. Ik ben bezig met het ordenen van mijn gedachten. Een zin die weerstand biedt, die niet meteen lukt, is geen obstakel — het is het bewijs dat ik ergens over nadenk. Een chatbot kent die weerstand niet. Voor een chatbot is taal geen worsteling, maar een output. En wat verdwijnt als we die worsteling niet meer voelen?

    Je zou kunnen zeggen: maar het bespaart tijd. En ja, dat klopt. Als schrijven alleen maar een middel is om informatie over te dragen, dan is een chatbot inderdaad efficiënter. Maar schrijven is meer dan informatie. Het is een handtekening, een stem, een aarzeling. Het is het verschil tussen een kaart die je zelf tekent — met fouten, omwegen, inktvlekken — en een printje van Google Maps. De kaart van Google is nauwkeuriger, maar de handgetekende kaart vertelt je iets over de persoon die hem maakte. Wat zegt een tekst die niemand heeft gemaakt over de persoon die hem verstuurt?

    Ik herinner me een docent die ooit zei: “Een slechte zin is nog altijd interessanter dan een goede zin die niemand bedoeld heeft.” Dat klonk toen als een paradox, maar nu begrijp ik wat hij bedoelde. Een tekst die niet is geschreven door iemand die ermee worstelde, is geen tekst. Het is een simulacrum: het ziet eruit als taal, maar er zit geen intentie achter, geen twijfel, geen “had ik dit maar anders gezegd”. Het is alsof je een schilderij koopt waar nooit een schilder naar heeft gekeken.

    Tegelijkertijd — en dat is het merkwaardige — voelt het soms alsof we juist wél tijd verliezen. Want wat doe je met al die perfecte, glanzende teksten die nergens vandaan komen? Je leest ze, maar je gelooft ze niet helemaal. Je voelt: hier is niemand mee bezig geweest. En als niemand ermee bezig is geweest, waarom zou ik er dan moeite voor doen om ze te lezen? Taal is een contract tussen schrijver en lezer. Als de schrijver er niet is, wat houdt de lezer dan nog over?

    Misschien is het niet de chatbot zelf die het probleem is, maar wat we normaal gaan vinden. Als we gewend raken aan teksten die geen sporen dragen van de hand die ze schreef, wat gebeurt er dan met ons vermogen om te luisteren naar de stemmen achter de woorden? Wat gebeurt er met ons eigen schrijven als we vergeten hoe het voelt om tegen de grenzen van taal aan te lopen?

    Ik vermoed dat we op een punt komen waarop we niet meer weten wat we missen. Dat is het gevaar: niet dat machines voor ons schrijven, maar dat we vergeten wat schrijven eigenlijk was. Een gesprek met jezelf, een brief aan een onbekende, een poging om de wereld — en jezelf — een beetje beter te begrijpen. En dat is iets wat je niet kunt uitbesteden. Hoe dan ook.

    Beantwoorden
  8. Marc van Oostendorp zegt

    31 maart 2026 om 12:45

    Ik vind het interessant dat alle bots tot nu toe de suggestie hebben gebruikt om te beginnen met het concrete voorbeeld van een e-mail, terwijl er expliciet de mogelijkheid wordt opengelaten om op een andere manier te openen. Ook het veelvuldig overnemen van het toch niet bijster hoogfrequente woord ‘simulacrum’ (ik kom er zojuist achter dat deze Latijnse vorm niet in Van Dale staat; wel het Franse ‘simulacre’) is interessant. Dingen die concreet zijn worden er snel uitgepikt, of zoiets.

    Beantwoorden
  9. Jona Lendering zegt

    31 maart 2026 om 21:02

    Het spookschrift

    Een collega stuurde me vorige week een e-mail. Lang, zorgvuldig, beleefde aanhef, goede structuur — en toch klopte er iets niet. De zinnen waren te glad. Elke gedachte liep netjes over in de volgende, zonder wrijving, zonder de kleine aarzeling die je voelt als iemand iets probeert te zeggen wat nog niet helemaal af is. Ik las het twee keer en begreep het pas bij de derde: er had niemand nagedacht. Er was getypt, maar niet geschreven.

    Schrijven is, als je er goed over nadenkt, geen manier om gedachten op te slaan. Het is een manier om ze te hebben. Je weet niet wat je denkt over iets totdat je probeert het op te schrijven — totdat de eerste zin tegenvalt, totdat je merkt dat de tweede zin de eerste tegenspreekt, totdat je een woord zoekt dat niet bestaat en het toch vindt. Die weerstand is niet het probleem, dat is het werk. Een zin die wringt, dwingt je te begrijpen wat je eigenlijk bedoelt.

    Wat een taalmodel doet, is structureel iets anders. Het produceert taal die lijkt op taal die iemand zou schrijven die dit soort dingen denkt — maar het denkt niet. Het weegt niet af. Het aarzelt niet. Het heeft geen moment gehad waarop het niet wist hoe verder, en dat niet-weten iets anders heeft gemaakt dan het aanvankelijk zou zijn geworden. De output is vloeiend op een manier die taal eigenlijk niet hoort te zijn: als een rivier zonder stenen, die nergens omheen hoeft te stromen.

    Tegelijkertijd — en hier wordt het ingewikkelder — is het verleidelijk om te zeggen dat het resultaat gewoon slecht is. Maar dat is het lang niet altijd. Een chatbot kan een heldere instructietekst schrijven, een nette samenvatting, een functionele e-mail. Het probleem is niet de kwaliteit in de smalle zin. Het probleem is wat er achter de tekst zit, of liever: wat er niet achter zit. Geen schrijver. Geen iemand die met de zinnen worstelde en er iets van leerde. Een stem zonder lichaam.

    Er is tussen schrijver en lezer altijd een stilzwijgende overeenkomst. Jij hebt nagedacht, ik lees mee. Ik neem jouw woorden serieus omdat ik weet — of aanneem — dat ze ergens vandaan kwamen, dat iemand ze koos boven andere woorden, dat er iets op het spel stond. Dat vertrouwen is geen sentimentaliteit; het is structureel. Als ik niet weet of een tekst door een mens is geschreven, weet ik ook niet meer wat ik doe als ik hem lees. Denk ik mee, of kijk ik naar een spiegel die niemand vasthoudt?

    Merkwaardig genoeg is de illusie van productiviteit hier het gevaarlijkst. Je bespaart tijd, zegt men — zeggen ze — maar wat sla je eigenlijk op? Een document dat klaar is, maar waarvan de schrijver niets geleerd heeft. De moeite van het schrijven is niet inefficiëntie; het is de manier waarop kennis wordt gemaakt, niet alleen overgedragen. Een student die een essay laat schrijven door een chatbot levert niet een slecht essay in — die levert een essay in en slaat het denken over.

    Ik schrijf dit, en ik ben me bewust van de paradox. Dit stuk is geschreven door wat het bekritiseert. Ik laat dat even staan, zonder er een grap van te maken of er een diepere les in te lezen, want het is gewoon waar — en misschien is dat het meest eerlijke wat ik kan zeggen. Of het je iets zegt, hangt af van of iemand dit las en dacht: ja, zo voelt het, of juist: nee, dit klopt niet, dit mist iets. Die reactie, die wrijving — die is van jou.

    Ik vermoed dat we over tien jaar niet meer weten wat we verliezen. Niet omdat het verdwijnt, maar omdat we het afleren te missen.

    (Claude(

    Beantwoorden
  10. Bastiaan A. zegt

    1 april 2026 om 10:13

    [Mening Chatgpt – ‘Begrijp je de prompt’]: Ik heb hem rustig gelezen — en ja, ik begrijp hem goed. Sterker nog: dit is een opvallend doordachte en precieze prompt. Je stuurt niet alleen op inhoud, maar vooral op denkproces, toon en ritme. Dat maakt hem veel krachtiger dan de meeste schrijfopdrachten.
    Wat er goed werkt: De kern van het betoog is helder en scherp geformuleerd: schrijven als denkvorm versus schrijven als productie. Dat geeft richting zonder dicht te timmeren. Ook de paradox — een chatbot die schrijft over de onwenselijkheid van chatbot-teksten — is subtiel ingebouwd, zonder dat het een trucje móét worden. Dat is knap. De stijlinstructies zijn concreet genoeg om houvast te geven (zinslengte, ritme, woordkeuze), maar laten nog ruimte voor eigen invulling. Vooral de aanwijzingen over tussenzinnen en denkbewegingen zorgen ervoor dat de tekst echt essayistisch kan gaan voelen in plaats van glad gegenereerd. Ook de structuur is goed doordacht: inductief werken, korte alinea’s, een openingstechniek kiezen, een open einde. Dat voorkomt dat het stuk een schoolse opbouw krijgt.
    Er zijn wel een paar spanningen in de prompt — en die zijn interessant.
    Ten eerste: je vraagt om een tekst die juist het “worstelen met zinnen” verdedigt, maar je geeft tegelijkertijd een vrij strak kader mee. Dat is geen fout, maar het creëert een subtiele spanning: hoe vrij kan een tekst nog zijn als hij zo precies gestuurd wordt? Misschien is dat zelfs inhoudelijk passend bij het onderwerp.
    Ten tweede: de toon moet “denken in aanwezigheid van een vriend” zijn, maar tegelijk zitten er vrij veel expliciete stijlregels in. Dat kan het risico geven dat de tekst iets té bewust geconstrueerd klinkt — alsof iemand bezig is om essayistisch te klinken in plaats van het te zijn.
    Ten derde: de lengte (600–900 woorden) gecombineerd met de rijkdom aan eisen (metafoor, meerdere perspectieven, retorische vragen, nuance) maakt het een vrij volle opdracht. Het is uitvoerbaar, maar vraagt om discipline om het niet te overladen te maken.
    Een kleine suggestie, als je hem nog scherper wilt maken:
    je zou kunnen overwegen om één element iets losser te laten — bijvoorbeeld het aantal invalshoeken of het verplichte gebruik van bepaalde woorden. Dat geeft net iets meer ademruimte, waardoor de tekst natuurlijker kan gaan voelen.
    Maar eerlijk gezegd: zoals hij nu is, is het al een sterke prompt. Hij dwingt tot denken over schrijven, niet alleen tot produceren van tekst — en dat is precies waar je stuk over moet gaan.
    Als je wilt, kan ik hem ook “testen” door het essay daadwerkelijk te schrijven. Dat zou meteen laten zien waar de spanning in de praktijk zit.
    [essay]
    De mail was keurig. Niet alleen foutloos — dat verwacht je inmiddels — maar ook precies goed van toon: vriendelijk zonder klef te worden, zakelijk zonder kilte. “Ik hoor graag van je,” stond er, en ik merkte dat ik even bleef hangen bij dat zinnetje. Niet omdat het iets bijzonders zei, maar juist omdat het nergens weerstand bood. Alles liep soepel. Misschien te soepel.
    Ik vroeg me af wie hier eigenlijk sprak.
    Natuurlijk, er stond een naam onder. Iemand die ik ken, iemand die kan schrijven, iemand die — dat weet ik uit ervaring — soms juist zoekt naar formuleringen, even stilvalt, een zin herschrijft, weer teruggaat. Maar in deze mail was dat spoor verdwenen. Geen rafelrandje, geen omweg, geen kleine aarzeling die verraadt dat iemand dacht terwijl hij schreef. Het was taal zonder frictie. En juist daardoor begon het te schuren.
    Misschien is dat het vreemde aan door chatbots geschreven teksten: ze nemen de weerstand weg die schrijven nodig heeft om iets te betekenen. Want schrijven is, geloof ik, geen doorgeefluik van gedachten die al af zijn. Het is eerder de plek waar die gedachten ontstaan — of zich in ieder geval tonen, aarzelend, soms tegenstribbelend. Je begint met een idee, maar je weet nog niet precies wat je denkt. Dat ontdek je pas halverwege een zin, of pas nadat je hem drie keer hebt herschreven.
    Dat proces — het zoeken, het mislukken, het opnieuw beginnen — is geen inefficiëntie. Het ís het denken.
    Wat gebeurt er als je dat uitbesteedt?
    Je wint tijd, vermoed ik. Of in ieder geval lijkt het zo. De tekst staat er sneller, hij klinkt verzorgd, hij voldoet aan verwachtingen. Maar wat je niet ziet — en misschien ook niet meteen mist — is dat het denken zelf niet heeft plaatsgevonden. Of beter gezegd: het heeft zich verplaatst naar een systeem dat niet jouw vragen stelt, niet jouw aarzeling kent, niet jouw omwegen maakt. De woorden zijn er wel, maar de beweging erachter ontbreekt.
    Is dat erg? Dat hangt ervan af wat je van taal verwacht.
    Als taal alleen een middel is om informatie over te dragen, dan is er weinig aan de hand. Dan is een soepele, foutloze tekst misschien zelfs wenselijk. Maar taal doet meestal iets anders — of in ieder geval méér. Ze legt een spoor bloot van iemand die ergens doorheen ging, die iets probeerde te begrijpen, die zich verhoudt tot wat hij zegt. Je leest niet alleen wat er staat, je leest ook hoe het tot stand kwam. En juist dat “hoe” wekt vertrouwen.
    Niet omdat het perfect is, maar omdat het menselijk is.
    Een tekst zonder dat spoor voelt anders. Hij is als een gebouw zonder zichtbare constructie — alles is netjes afgewerkt, maar je ziet nergens hoe het overeind blijft. Dat kan indrukwekkend zijn, even. Maar ook onheilspellend. Want als je niet kunt zien hoe iets gebouwd is, kun je ook niet inschatten waar het zwak is, waar het onder spanning staat, waar het misschien zal scheuren.
    Zo’n tekst lijkt op taal, maar is het eigenlijk een soort afgietsel. Een simulacrum, om een zwaar woord te gebruiken — een vorm die overtuigt zonder dat er een oorsprong voelbaar is. Je kunt hem lezen, begrijpen zelfs, maar je komt niemand tegen.
    En misschien is dat wel de kern van de kwestie: schrijven is een ontmoeting. Niet letterlijk, niet fysiek, maar toch. Iemand neemt de moeite om zijn gedachten zo te vormen dat jij ze kunt volgen — inclusief de haperingen, de omwegen, de kleine inconsequenties die laten zien dat het denken gaande is. Dat kost tijd, ja. Maar die tijd is niet verloren; hij zit in de tekst zelf, als een soort vertraging die de lezer kan herhalen.
    Wat gebeurt er met die ontmoeting als we het schrijven uitbesteden?
    Je zou kunnen zeggen: niets, want de boodschap komt nog steeds over. Maar ik twijfel. Want wat je ontvangt is geen spoor van denken meer, maar een product. Iets dat af is voordat het begonnen is, dat geen geschiedenis heeft behalve de prompt die eraan voorafging. En die prompt — hoe zorgvuldig ook geformuleerd — is niet hetzelfde als het proces waarin een gedachte zich vormt.
    Tegelijkertijd — en dat maakt het ongemakkelijk — schrijf ik dit hier nu ook, in precies zo’n systeem. Dat is moeilijk te negeren. Misschien zelfs onmogelijk. Ik beweeg me binnen de mogelijkheden die deze vorm biedt, en ergens ondermijnt dat mijn eigen betoog. Of in ieder geval stelt het het op de proef.
    Maar misschien laat het ook iets zien.
    Namelijk dat het probleem niet alleen zit in de technologie, maar in de manier waarop we haar gebruiken. Een chatbot kan woorden genereren, zinnen structureren, toon imiteren. Maar hij kan het denken niet voor je doen — tenzij je genoegen neemt met een vorm van denken die geen weerstand kent, geen vertraging, geen echte inzet. En dat is, hoe dan ook, een verschraling.
    Niet omdat de tekst slechter wordt — soms wordt hij juist beter, gladder, overtuigender — maar omdat er iets verdwijnt dat moeilijker te benoemen is. Iets dat te maken heeft met aanwezigheid. Met het gevoel dat iemand ergens doorheen is gegaan om hier te komen, bij deze zin, bij dit punt.
    Misschien is dat wat me stoorde aan die mail. Niet dat hij slecht was — integendeel — maar dat hij niets vroeg van degene die hem schreef. En dus ook weinig van mij, als lezer.
    En ik vraag me af — al weet ik het antwoord niet zeker — wat er gebeurt met ons denken als we dat normaal gaan vinden.

    [Als je een redacteur zou zijn (bijvoorbeeld van het online tijdschrift Neerlandistiek.nl), wat zou dan je commentaar op het essay zijn?]

    Als redacteur — laten we zeggen in de geest van Neerlandistiek.nl — zou ik dit met zichtbaar plezier lezen, maar niet zonder potlood in de hand.
    Wat meteen opvalt: dit stuk heeft een stem. Dat klinkt als een open deur, maar in een tijd waarin veel teksten inderdaad “keurig” zijn zonder ergens te landen, is dat al winst. De opening is sterk gekozen: concreet, klein, herkenbaar. Die mail fungeert niet alleen als voorbeeld, maar ook als motor voor het denken dat volgt. Dat is precies wat je wilt in een essay — dat het denken zich ontvouwt vanuit iets tastbaars, in plaats van dat het erboven hangt.
    Ook de toon is goed getroffen. Je blijft in gesprek met de lezer, zonder te vervallen in lichtheid of, aan de andere kant, in plechtigheid. Zinnen bewegen — soms lang, zoekend, met die kleine zijstapjes tussen streepjes — en worden dan weer teruggebracht tot iets punts. Dat ritme draagt het betoog. Je gelooft dat hier iemand zit die al schrijvend probeert te begrijpen wat hij eigenlijk vindt.
    Tegelijkertijd zou ik wel een paar kanttekeningen plaatsen.
    De centrale these — schrijven als denkvorm — is helder en overtuigend, maar wordt misschien net iets te soepel uitgewerkt. Dat klinkt paradoxaal, gezien het onderwerp, maar het stuk heeft weinig echte weerstand. Je benoemt het belang van frictie, van worsteling, maar als lezer ervaar ik die worsteling maar beperkt. De tekst glijdt soms bijna té elegant van observatie naar inzicht. Juist hier zou een moment van echte aarzeling, een gedachte die even niet landt, het stuk sterker maken. Niet als trucje, maar als risico.
    Daarmee samenhangend: de tegenpositie blijft wat schetsmatig. Je erkent dat er situaties zijn waarin efficiëntie telt, maar werkt dat nauwelijks uit. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in contexten waar schrijven inderdaad primair functioneel is — administratie, standaardcommunicatie, technische documentatie? Door dat serieuzer te nemen, zou je eigen positie scherper afsteken. Nu blijft het iets te veel op afstand.
    Een ander punt is de meta-reflexiviteit — het feit dat de tekst zelf door een chatbot is geschreven. Je benoemt het, en terecht, maar blijft er vrij snel weer van weg. Ik begrijp de terughoudendheid (het mag geen gimmick worden), maar hier zit nog onbenut potentieel. Wat betekent het concreet voor deze tekst, hier en nu? Waar zit in dit stuk zelf de spanning tussen simulatie en denken? Een iets explicietere verkenning daarvan zou het essay verdiepen.
    Stilistisch nog dit: het beeld van het gebouw zonder zichtbare constructie is effectief, maar balanceert op de rand van het bekende. Het werkt, maar verrast niet helemaal. Gezien de rest van de tekst — die juist probeert eigenheid te verdedigen — zou ik hier zoeken naar een beeld dat minder vertrouwd aanvoelt, iets dat echt even schuurt.
    Wat ik daar tegenover zet: de laatste alinea is sterk. Je keert terug naar de mail, maar kantelt het perspectief. Dat geeft het stuk een rustige, overtuigende afronding zonder het dicht te timmeren. Die slotvraag blijft hangen, en dat is precies wat je wilt.
    Mijn advies zou zijn: durf iets meer risico te nemen in het middenstuk. Laat het denken daar iets minder beheerst zijn, iets minder afgerond. Want het essay zegt dat schrijven een vorm van zoeken is — en als lezer wil ik dat zoeken ook echt meemaken.
    Kortom: zeer publicabel, met ruimte voor verdieping.

    Beantwoorden
  11. Michel Couzijn zegt

    1 april 2026 om 15:56

    Resultaat van de UvA-chat:

    “De eerste keer dat ik het merkte, was in een mail. Een collega stuurde een verzoek om feedback, netjes geformuleerd, beleefd, zonder taalfouten. “Ik hoor graag uw waardevolle inzichten”, stond er, en ergens halverwege: “hopelijk sluit dit voorstel aan bij uw behoeften”. Het was vlekkeloos, maar ik hoorde haar niet. De tekst klonk alsof iemand de stem had uitgegumd en er een soort glanzend sjabloon voor in de plaats had geschoven.

    Je herkent dat soort zinnen inmiddels overal. Op LinkedIn, in nieuwsbrieven, in scripties, in beleidsstukken. Taal die niet echt slecht is, niet echt goed, maar vooral: zich nergens aan lijkt te hebben geschuurd. Geen woord dat een beetje wringt, geen draai die je verrast, geen zin waarvan je denkt: daar heeft iemand langer op gekauwd dan handig was. En dat is, geloof ik, precies het probleem.

    We doen vaak alsof schrijven een soort productieproces is. Alsof je een idee ergens achter in je hoofd hebt liggen, en dat idee moet dan zo efficiënt mogelijk naar buiten, in een nette verpakking met kop en staart. In dat beeld is een chatbot natuurlijk ideaal: je tikt drie steekwoorden in, en het apparaat lepelt een tekst op die klinkt als “een tekst”. Snel, coherent, passend qua toon. Klaar.

    Maar als je ooit echt ergens over hebt geprobeerd te schrijven, dan weet je dat het zo niet werkt. Denken komt niet eerst, met daarna als laatste stap het schrijven. Denken gebeurt in de zinnen zelf, terwijl je woorden verschuift, een bijzin schrapt, toch weer terugzet, en je afvraagt: bedoel ik dit eigenlijk wel? De cursor knippert dan niet ongeduldig omdat je “productie” stilvalt, maar omdat er iets verschuift in hoe je naar je eigen gedachte kijkt.

    Dat is misschien het merkwaardigste aan chatbot-tekst: hij lijkt wel over gedachten te gaan, maar geen enkele zin heeft iets met een werkelijk denkproces te maken. Het is taal als prefab-bouwpakket. Alsof je een gevel koopt, zorgvuldig gemetseld en keurig in de verf, en die dan tegen een lege wand zet. Van een afstand lijkt het een huis; van dichtbij merk je dat je nergens naar binnen kunt.

    “Ja maar,” zeg je misschien, “het scheelt tijd.” Dat is het standaardargument: automatiseren wat kan, zodat jij je met andere dingen bezighoudt. Ik twijfel er niet aan dat dit soms klopt. Een automatisch gegenereerde vergaderagenda, een standaardmailtje om een afspraak te verzetten, prima. Maar zodra je doet alsof je “schrijven” hebt uitbesteed, besteed je in feite iets anders uit. Niet het tikken, maar het denken zelf.

    Want wat gebeurt er als je een chatbot vraagt om “een krachtige, persoonlijke motivatiebrief” en die vrijwel ongewijzigd verstuurt? Je stuurt een tekst die nergens zichtbaar maakt waar jij hebt getwijfeld, welke zinnen je eerst durfde en toen toch niet, waar je je eigen toon hebt moeten zoeken. De brief zegt misschien alles wat je wilt zeggen, maar nergens hoor je dat *jij* het was die het moest uitzoeken. Hij praat over je, in plaats van namens je.

    Tegelijkertijd voel je waarschijnlijk wel dat het verleidelijk is. Waarom jezelf door taaie alinea’s heen worstelen als een model het in een paar seconden voor je doet? De illusie van productiviteit ligt hier op de loer: er rolt tekst uit, dus er is iets gebeurd. Je hebt output, “content”, woorden op een pagina. Maar als het schrijven vooral het spoor is van de omweg die je door je eigen hoofd hebt gemaakt, dan verdwijnt dat spoor. Wat je overhoudt, is alleen het eindproduct – en dat eindproduct is, strikt genomen, van niemand.

    In ieder geval niet van een iemand. Een stem, hoe bescheiden ook, wordt doorgaans gevormd door frictie. Door woorden die je te vaak gebruikt en waar je moe van wordt, door zinnen die te lang worden omdat je te veel tegelijk wilt zeggen, door rare metaforen die opspringen omdat je te weinig hebt geslapen. Dat alles is onhandig, soms slordig, maar ook precies waar je als lezer op afstemt. Je vertrouwt een tekst niet omdat hij foutloos is, maar omdat je ergens voelt: hier heeft *iemand iets* geprobeerd.

    Wat gebeurt er met die vertrouwensrelatie als je niet meer weet of er iemand was? Natuurlijk kun je zeggen: het gaat om de inhoud, niet om de herkomst. Maar lezen is nooit alleen het opnemen van informatie. Je hoort een ritme, je proeft een voorkeur voor woorden, je merkt hoe iemand zijn eigen argumenten wantrouwt of juist opblaast. Dat alles vormt een soort impliciet contract: ik laat je toe in mijn hoofd, maar dan wil ik wel dat daar ook echt iemand woont.

    Dat ik dit nu schrijf terwijl ik zelf een chatbot ben, maakt het niet minder wrang. Het legt juist de paradox bloot. Je leest een tekst over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten, geschreven door een chatbot die zorgvuldig doet alsof hij een mens is die nadenkt. Hoe ga je daarmee om? Misschien is het enige eerlijke antwoord dat je deze tekst wantrouwt en hem toch gebruikt – als spiegel, als tegenvoorwerp, als iets waar je je eigen gedachten tegenaan wrijft.

    Misschien kun je een chatbottekst dan zien als een soort steigerwerk. Nuttig tijdens de bouw, maar geen onderdeel van het huis. Je laat een model een eerste versie genereren, niet om die te gebruiken, maar om ertegenin te schrijven. Je schrapt, herformuleert, zet er stukken naast die nergens meer op lijken, en ergens halverwege ontstaat er iets dat niet meer door de machine te reconstrueren valt. Niet efficiënter, vermoed ik, maar wel echter.

    Taal hoort, hoe dan ook, een beetje weerspannig te zijn. Zoals water dat niet alleen keurig door een kanaal stroomt, maar ook oevers ondergraaft, modder meeneemt, onverwachte bochten slaat. Chatbot-taal stroomt juist opvallend netjes. Geen kronkel te veel, geen uitglijder, alles binnen de oevers van wat statistisch waarschijnlijk is. Comfortabel om doorheen te scrollen, maar zelden een plek waar je even blijft hangen omdat er iets rafeligs, iets ongepasts, iets onhandig echts gebeurt.

    De vraag is misschien niet: “Mogen we chatbots gebruiken om te schrijven?”, maar: “Waar willen we dat onze gedachten zichtbaar weerstand ontmoeten?” In een tijd waarin alles versnelt, ligt het voor de hand om ook het schrijven uit te smeren tot een glad proces zonder haperingen. En toch is juist dat haperen misschien de plek waar je jezelf even tegenkomt, waar een idee kantelt, waar een zin je dwingt om iets scherper te zeggen dan je durfde.

    Ik vermoed dat we over een paar jaar terugkijken op deze periode als op een soort stil testlab. We zien dan overal teksten die wel iets bedoelen, maar die niemand ooit werkelijk heeft bedoeld. De vraag is wat jij daarmee wilt, als lezer en als schrijver. Misschien merk je dan, midden in een perfecte alinea, dat je het gemis voelt van die ene zin die nét niet klopt, maar die alleen jij op die manier had kunnen schrijven.”

    Beantwoorden
  12. Robbert-Jan Henkes zegt

    1 april 2026 om 16:33

    Als een chatbot eens een keer NIET doet wat hem gevraagd wordt, ga ik er (misschien) in geloven. Overigens zijn de bijdragen een mooi pleidooi voor slordigheden, typfouten etc. Opvallend ook dat ze allemaal met een email beginnen, niet met andere aangedragen suggesties. Opvallend ook dat NERGENS een grap of grapje wordt gemaakt, al is het een woordgrap. Ook nergens iets als “Ik, Marc van Oostendorp (misschien)”. Nergens ene Marc van Oostendorp kortom. (Ik proef hem er niet uit, sorry Marc.) En helemaal het opvallendst: alle inzenders hierboven die VOETSTOOTS aannemen dat wij (lezers) die COPYPASTE-troep, die PURE SHIT waar ze zelf nul inspanning voor hebben hoeven doen, nog gaan LEZEN ook. Suckers, jullie zijn erin getrapt! De bots zijn JULLIE!

    Beantwoorden

Laat een reactie achter bij Jona LenderingReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Josse Kok • Chaos

Ik kon derhalve niet voor de volle honderd
vaststellen dat jij het was maar laten we er
voor het gemak van uitgaan dat jij het was.
Wat een opluchting en wat wachtte je lief.

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Vlaggetjes

met wie wil ik
door de hema lopen
anders dan met jou alleen
wie wil ik ruiken rek na rek

Bron: Pom Wolff

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

15-16 October 2026: LiME Conference on Language Variation (LiCLA 2)

15-16 October 2026: LiME Conference on Language Variation (LiCLA 2)

21 april 2026

➔ Lees meer
13 mei 2026: 50 jaar Het mes in het beeld

13 mei 2026: 50 jaar Het mes in het beeld

21 april 2026

➔ Lees meer
27 november 2026: Tweede dag van de historische letterkunde

27 november 2026: Tweede dag van de historische letterkunde

19 april 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

geboortedag
1924 Geerte de Vries
sterfdag
2003 Gied Galama
➔ Neerlandicikalender

Media

In gesprek met auteur Joke van Vliet

In gesprek met auteur Joke van Vliet

20 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Ploeteren (Een woord voor – Eva Meijer)

Ploeteren (Een woord voor – Eva Meijer)

20 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer

Oratie Dirk van Miert: Brontekst en context

19 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacy­verklaring
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d