
Lang geleden zat ik in mijn ouderlijk huis naar Het meisje met de blauwe hoed te kijken, een Nederlandse televisieserie uit 1972, gebaseerd op het gelijknamige boek van Johan Fabricius en een gemoderniseerde bewerking van de gelijknamige film uit 1934. Mijn opa, die bij mijn ouders inwoonde, keek ook. Op een bepaald moment bracht André van Duin, een van de hoofdrolspelers, een lied ten gehore, bestaande uit een fiks aantal coupletten. Na elk couplet klonk uit de monden van een koortje:
Al in de petoet, al in de petoet, al in de petoet
“Weet je wat dat is, petoet?”, vroeg mijn grootvader, “dat is gevangenis”. Ik wist dat geloof ik toen nog niet, maar had de betekenis kunnen afleiden uit de context: het werd gezongen in de gevangenis en het bezingt op ironische wijze hoe goed toeven het daar is.
De constructie al in de petoet
Het woord petoet is een Bargoens woord en komt voor in de Nederlandse soldatentaal. Het is aan het begin van de vorige eeuw ontleend aan het Javaans. Het woord gaat terug op dipetut, dat ‘gepakt of ‘gevangengezet’ betekent. Het liedje uit de genoemde film was gebaseerd op ‘In de petoet’ van Lou Bandy uit 1934 met dezelfde thematiek:
Daar is voor een soldaat geen beter leventje te bedenken,
Dan in de petoet, dan in de petoet, dan in de petoet!
Ze vliegen er als gekken op de minste van zijn wenken,
Al in de petoet, al in de petoet, al in de petoet!
Wat mij jaren later ging interesseren, was de constructie al in de petoet. We kennen het woordje al in een syntactische structuur zoals deze, als synoniem van reeds. In de volgende voorbeelden is al een bijwoordelijke bepaling van tijd. De voorzetselconstructie is tussen haakjes gezet en kan door diverse preposities worden ingeleid.
- Hij was al [in de klas]
- Al [aan het begin] ging het fout
- Vanmorgen vroeg was zij al [op haar werk]
- Hij is al [onder de wol] gekropen
- Gisteren waren zij al [uit Rotterdam] vertrokken
Maar al in al in de petoet is hier in elk geval geen bijwoordelijke bepaling van tijd. De vraag is dus wat voor zinsdeel het wél is.
De constructie al + VZC
Omdat het moeilijk is om vergelijkbare voorbeelden te vinden, dacht ik aanvankelijk dat het om een soort geïsoleerde constructie ging, maar vervolgens kwam ik het volgende voorbeeld tegen in het lied Het soldaatje van de Zangeres Zonder Naam. Het eerste couplet luidt als volgt.
Al in de stad van Wenen, ja, in die mooie stad
Daar heeft ’n jong soldaatje zoveel plezier gehad
Daar heeft ’n jong soldaatje zoveel plezier gehad
We hebben nu dus twee voorbeelden met al + VZC, waarin in het voorzetsel is:
- al [in de petoet]
- al [in de stad van Wenen]
De vraag is nu of er soortgelijke structuren te vinden zijn waarin, net als in de bovenstaande voorbeelden met al als bijwoordelijke bepaling van tijd, de voorzetselconstructie met een ander voorzetsel begint. Die zijn er wél. Het eerste voorbeeld komt uit het lied Daar was e wuf die spon. Hier volgt het eerste couplet.
Daar was e wuf die spon,
Daar was e wuf die spon,
Al op een houten spinnewiel,
Daar zat geen torteltje aan
Vive la peperbusse, vive la spa,
Tra – la – la – la,
Gize – gaze – goeze
Ron – flon – floe – ze,
Tra – de – ra – de – ra
Hier treffen we in de derde versregel een voorzetselconstructie aan met op: Al [op een houten spinnewiel]. Het tweede voorbeeld is het eerste couplet van Al onder de weg van Maldegem:
Al onder de weg van Maldegem,
Malle, malle, malle, malle, Maldegem.
Al onder de weg van Maldegem,
Daar zat een wuf dat spon.
Dat wuf dat zat en spon, Gielegon!
Dat wuf dat zat en spon
Al op een houten wieleke
wiele, wiele, wiele, wiele, wieleke.
Al op een houten wieleke.
Daar was geen draaiing aan.
Daar was geen draaiing aan.
Behalve twee keer de constructie die we al kennen met het voorzetsel op, zien we hier dat de prepositieplaats wordt ingenomen door onder.
Al is geen zinsdeel
Aan dergelijke constructies vallen verschillende dingen op. In de eerste plaats lijkt het woordje al geen bijdrage aan de betekenis van het geheel te geven, omdat het inhoudsloos is. Het kan ook weggelaten worden, zonder dat de betekenis verandert. Dit doet denken aan zogenaamde loze zinsdelen, zoals in de volgende zinnen.
- Het regent de hele dag al
- Piet heeft het ver geschopt in zijn leven
- Hij heeft het altijd koud ’s winters
In de eerste zin is het een loos onderwerp, in de tweede een loos lijdend voorwerp. In de derde zin maakt het deel uit van de uitdrukking ‘het koud hebben’. Dit het kan echter niet weggelaten worden zonder dat de zinnen ongrammaticaal worden. Bij al is dat anders: het kan wél weggelaten worden en de enige functie die het woord lijkt te hebben is dat het als een soort opvulling dient. Daarmee lijkt mij dit woord geen zinsdeelfunctie te hebben.
Al is geen woordsoort
Er dringt zich ook een andere vergelijking op: met de interjectie. Interjecties kunnen ook weggelaten worden, zonder dat de zin ongrammaticaal wordt:
- Tja, dat was te verwachten
- Hij is verdorie nog steeds niet terug
- Ach, wat een ellende
- O,wat fijn dat je ook komt
Dergelijke woorden hebben evenmin een functie als zinsdeel, maar als woordsoort worden ze tot de interjecties gerekend. Het zijn uitroepen, die een bepaalde betekenis aan de zin toevoegen. Zo neemt verdorie de neutraliteit van de zin weg doordat het de ergernis van de spreker erin legt, terwijl dat o benadrukt dat de spreker blij is dat de aangesproken persoon ook komt. In die functie lijkt de interjectie op bijvoorbeeld voorzetsels, die evenmin zinsdeel zijn, maar wel woordsoort. Het verschil met interjecties is echter dat ze een syntactische rol vervullen, omdat ze een verbindende functie in de zin hebben.
Het woordje al in constructies als al op een houten spinnewiel lijkt al met al dus geen functie te hebben als zinsdeel en evenmin als woordsoort. Wat opvalt aan dergelijke constructies is dat dit specifieke al alleen in liedjes lijkt voor te komen. De verklaring voor het gebruik is dat het een prettig verloop aan de melodie geeft vanwege die l van al in combinatie met de opeenvolging van lettergrepen die je in een amfibrachische voet aantreft (onbeklemtoond-beklemtoond-onbeklemtoond):
- ∪ — ∪
- al in de (petoet
- al in de (stad van Wenen)
- al op een (houten spinnewiel)
- al onder (de weg van Maldegem)
Het woordje al in dergelijke structuren lijkt dus een ondersteunende functie te hebben bij de melodie van een lied, maar heeft grammaticaal gezien geen functie als zinsdeel en evenmin als woordsoort.
Een interessant en eigenaardig verschijnsel inderdaad! Zie bijvoorbeeld ook ‘Er zaten zeven kikkertjes / al in een boerensloot’, ‘Al in een groen, groen, groen, groen, knollen-, knollenland’, ‘Al op een boerenweggetje’, ‘Ik ging op enen morgen / al door den Aerdenhout’ etc. Ik denk inderdaad dat ‘al’ hier puur wordt ingezet om een extra lettergreep te hebben ter verbetering van het metrum.
Ja eens, goed dat je kijkt naar de functie in het lied.
Er moeten meer voorbeelden te vinden zijn, meestal aan het begin van een refrein: “en van je…”
Jacques Klöters