
Ik hoorde onlangs dat bij veel subsidieverstrekkers voor wetenschappelijk onderzoek het aantal aanvragen de laatste jaren draconisch gestegen was. Het gebeurt ook bij wetenschappelijke artikelen. Bij Neerlandistiek hebben we de afgelopen maand ook minstens vier stukken binnengekregen die ik als kunstmatig herkende. Aan kranten schijnen de laatste ook meer opiniestukken te worden aangeboden dan ooit te voren. We stikken met zijn allen in de kopij.
Mooi zo.
De historicus István Bejczy publiceerde zo’n twintig jaar geleden een novelle, Claustralië, waarin een utopie wordt geschetst: wie in dienst treedt van de universiteit verplicht zich om zijn hele leven niets meer te publiceren. Pas na de dood van de hoogleraar kan één boek worden uitgebracht, mits de universiteitsbibliotheek het wil aanschaffen.
Levenswerk
Kijk, zo moet het: dat moet de nieuwe publicatiedruk worden: niet publiceren, want publiceren, dat kunnen chatbots ook. Alleen een levenlang verzamelen wat je zelf het mooiste vindt, in de hoop dat een bibliothecaris het na je dood zal willen hebben. (Nu ik Bejczy even onderzoek, ontdek ik overigens tot mijn schrik dat een interview met hem uit 2001 begint met de zin ‘István P. Bejczy staat onder de Nijmeegse historici bekend als de meest publicerende historicus van de KUN.’ Maar dat zal een jeugdzonde zijn geweest.)
Ik geloof oprecht dat de wereld zo beter zou zijn. Niet het eindeloze gekakel, het almaar aandringen der subsidiegevers op methdologische innovatie en andere onbelangrijkheden, de grote stroom artikeltjes, maar een fraaie bibliotheek met alleen maar levenswerken, die je tijdens je loopbaan op je gemak kunt bestuderen om te zien hoe ze bijdragen aan je eigen levenswerk.
Een mooi boek
En nu lijkt kunstmatige intelligentie een handje te gaan helpen bij het devalueren van al die artikelen en subsidies. Het is binnenkort helemaal niet meer lastig om een cv te hebben met honderden artikelen erop. Iets ingewikkelder is misschien om een cv te vullen met toegekende subsidies, maar dat carroussel zal zozeer van het toeval gaan afhangen, dat het ook onbelangrijk wordt.
Wat dan natuurlijk nog wel moet mogen, wat zelfs aangemoedigd moet worden: discussiëren. In ieder jaargesprek moet de wetenschapper worden aangesproken op de vraag of zij zich wel voldoende in allerlei discussies heeft begeven: in de zaal, aan de koffietafel, op weblogs. De gedachten moeten eindeloos gescherpt worden, maar de woorden waarmee dat gebeurt moeten geen pretentie hebben, niet worden bijgevijld. Écriture fauve, wild schrijven, enkel en alleen gericht op het communiceren van onaffe gedachten die pas door de communicatie geslepen worden, dat is het enige dat zou mogen in de ideale wereld.
En dan aan het eind van je leven zorgen dat er op je bureau een mooi boek ligt.
Als ik het goed zie, is István Bejczy inmiddels al weer geruime tijd de wetenschap uit. Hij had zijn zegje gedaan.

Het Reynaertonderzoek staat bol van écriture fauve: Hellinga, Malfliet, Broens..