
Ik heb vannacht gedroomd. Ik werd door een groene draak achtervolgd. ‘Stop!’, roept er nu iemand van achterin de zaal. ‘Je bent nooit door een groene draak achtervolgd! Groene draken bestaan helemaal niet!’ Waarom heeft die persoon nu ongelijk? Doordat ik begonnen ben met te vertellen dat ik vannacht gedroomd heb. Het is logisch om de volgende zin dan te interpreteren als een deel van de inhoud van die droom, en daarin gelden andere criteria van waarheid.
Over de semantiek van het vertellen van dromen gaat een artikel van de Groningse onderzoeker Emar Maier in Linguistics and Philosophy. Het vertellen van een droom kan volgens Maier begrepen worden op een manier die veel te maken heeft met hoe strips dat doen: de droom verschijnt in een afgescheiden deel van het plaatje, een droomwolkje. Het verhaal van de droom is daarmee een ding binnen het verhaal van het stripje. Er zit een wand tussen de twee, al kan de inhoud van het wolkje natuurlijk uiteindelijk invloed hebben op het buitenste verhaal: iemand wordt badend in het zweet wakker, want hij heeft eng gedroomd.
Personage
In een strip kan een droom ook meerdere plaatjes voortduren. Dan worden de droomwolkjes vaak weggelaten, het vervolg van de droom verschijnt in dezelfde kaders als het omringende verhaal, maar is bijvoorbeeld wel net wat anders ingekleurd, en het einde van de droom wordt op de een of andere manier (het baden in het zweet) gemarkeerd. Maier stelt het zo voor alsof we als we een droom vertellen een groot kader bouwen waar we de hele droom in stoppen. We moeten we de omkadering op de een of andere manier markeren. Hoe weet je bijvoorbeeld dat in mijn opening hierboven degene die ‘Stop!’ roept niet ook onderdeel is van een droom.
Dromen vertellen is daarmee een verhaal vertellen, het verschilt niet veel van fictie, alleen de bron is net wat anders (de fantasie is niet bewust gebruikt), al zijn zinnen als de volgende misschien eerder kenmerkend voor dromen dan voor ‘normale fictie’:
- Ik droomde dat ik Brigitte Bardot was en dat ik mij kuste.
Normaliter is de zin ‘ik kuste mij’ niet goed; het zou moeten zijn ‘ik kuste mijzelf’. Ook in fictie zul je die zin niet snel tegenkomen, tenzij het gaat om een droomachtige situatie. Maar in het verslag van een droom is het volkomen acceptabel, sterker nog, de zin hierboven is lastig anders uit te drukken. Als je ‘mijzelf’ zou invoegen zou de situatie ineens anders worden. We vinden het in dit verslag acceptabel dat ik verwijst naar Brigitte Bardot en en mij naar de ik van buiten de droom, die kennelijk nu een personage in de droom is.
Droomuitleggers
Dat is in ieder geval mijn interpretatie: andersom, dat ik degene ben die Brigitte Bardot kust, terwijl ik in die droom ook Brigitte Bardot ben, met andere woorden, dat ik in mijn droom als Brigitte Bardot gekust wordt door mij, vind ik lastiger invoelbaar. Waarom dat zo is wordt geloof ik ook uit Maiers theorie niet duidelijk.
Natuurlijk hebben dromen uiteindelijk voor veel mensen ook een betekenis die dan weer van toepassing is op de werkelijkheid buiten het droomwolkje. Dat idee is zelfs al oeroud: ook in de bijbel komen al droomuitleggers voor. Hoe die verhouding precies is, is volgens mij nog niet duidelijk, dat zou ook nog moeten worden uitgezocht.
Ik droomde dat ik Brigitte Bardot was en dat ik een filmscène naspeelde voor mij.
Ik droomde dat ik Brigitte Bardot was en dat ik college gaf aan mij.
Is het nu, met wat ondersteuning van de inhoud, nog steeds lastig in te voelen dat het onderwerp van de tweede bijzin de ene keer BB is, de andere keer MvO?