Dialectlab 1: Genusonderscheid in derde persoon meervoudspronomina
In de serie Dialectlab snijdt de taalkundige Bart Jacobs interessante kwesties uit de Nederlandse dialecten aan.

Kijk eens naar de volgende zin:
- Ik zie de vrouwen/mannen/huizen –> Ik zie ze/hen/hun
Of je nu ze, hen, of hun kiest, in de standaardtaal maakt het daarbij geen verschil of je naar vrouwen, mannen of huizen verwijst. Hetzelfde zie je bij:
- De vrouwen en hun kinderen / De mannen en hun kinderen
In het Algemeen Nederlands gebruiken we hier gewoon hun, ongeacht of het om mannen of vrouwen gaat.
Toch lijkt het erop dat in sommige dialecten het geslacht wel degelijk een rol speelt bij de keuze van de vorm. Dus de vraag is: Maak jij in je dialect verschil tussen mannen, vrouwen, of dingen bij zinnen zoals (1) en (2)?
Onderscheid
In het oudere Nederlands (16e-17e eeuw) was haar een heel gewone vorm voor derde persoon meervoud, ook wanneer het niet specifiek om vrouwen ging. Je kon dus zonder probleem iets zeggen als ik zie haar (of vaak: heur), waarbij haar zowel naar mannen, vrouwen, of onzijdige dingen kon verwijzen. Dit gebruik van haar hoor je nog steeds in verschillende (vooral noord-oostelijke) dialecten van het Nederlands.
Vanaf de 17e eeuw gingen schrijvers en taalkundigen zich ermee te bemoeien. Autoriteiten als P.C. Hooft en Joannes Vollenhove vonden dat het systeem verfijnd moest worden:
- haar alleen nog voor vrouwelijke verwijzingen
- hen of hun voor de rest
Dat idee was trouwens niet nieuw: al in de zestiende eeuw werd zo’n onderscheid voorgesteld in de beroemde Twe-spraack van de Nederduitsche letterkunst (1584).
Gemeenzaam
In de praktijk bleek dat toch minder eenvoudig dan gedacht. In de 17e en ook 18e eeuw heerste er een soort normatieve chaos. Sommige auteurs bleven gewoon haar gebruiken voor alle geslachten, anderen kozen consequent voor hen/hun, en weer anderen probeerden het voorgestelde genusonderscheid tussen haar en hen/hun in te voeren.
Een mooie blik op de situatie komt van de taalkundige Lambert ten Kate in het jaar 1723, die onderscheid maakte tussen een chique, “hoogdravende” stijl en een alledaagese “gemeenzame” spreekstijl. In die “gemeenzame” stijl was er gewoon één meervoudsvorm, zonder geslachtsonderscheid. In de “hoogdravende” stijl werd dat onderscheid volgens Ten Kate wél gemaakt.
Dat laat iets belangrijks zien: wat taalgeleerden voorschreven en wat mensen daadwerkelijk zeiden, liep flink uiteen.Hierover zeiden Cornelissen & Vervliet in hun Idioticon van het Antwepsch uit 1899 het volgende:
De spraakkunsten geven voor eenen vrouwelijken meervoudigen bezitter ‘haar’ en voor eenen mannelijken of onzijdigen bezitter ‘hun’, in strijd met de levende volkstaal, die van geen onderscheid weet tusschen een mannelijk en vrouwelijk meervoud.
Losstaande observaties
Het is dus de vraag of het voorgestelde genusonderscheid ooit echt ingang heeft gevonden in de gesproken taal. Toch zijn er interessante aanwijzingen dat zo’n onderscheid zich lokaal heeft weten door te boksen:
- in het Stadsfries zou hun specifiek voor mannelijke referenten gebruikt zijn;
- sommige beschrijvingen (zoals deze in de ANS) vermelden dat vormen als ’r of d’r alleen voor vrouwelijke meervouden gebruikt worden;
- in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen wordt voor Doetinchem een verschil genoemd tussen bezittelijk eur en heur, waarbij de vorm met h- met vrouwen geassocieerd wordt;
- voor Noord-Holland is gesuggereerd dat heur en ook de verkorte vormen ‘r en d‘r soms specifiek een vrouwelijk meervoud aanduiden, terwijl hun/hen voor mannelijk en onzijdig dienen.
Maar het blijft voorlopig bij losstaande observaties. Precies daarom hoor ik graag hoe het in jullie dialect zit. Ook intuïtieve, niet helemaal zekere reacties zijn van harte welkom!
Laat een reactie achter