Volgens syntactici aan de universiteiten
Wat moeten de kinderen op school leren over taal? Daarover kun je van alles vinden – moeten ze iets leren over hoe talen zich ontwikkelen in de loop van de tijd? wat dialecten zijn en hoe daarmee om te gaan? hoe je met taal gemanipuleerd kunt worden? – maar de meeste mensen zijn het waarschijnlijk wel over eens dat kinderen op een bepaald moment moeten leren hoe zinnen in elkaar zitten. Dat het werkwoord in het Nederlands vooropstaat bij een vraagzin (‘Kom je?’). Dat hem in ‘Koos wast hem’ niet kan terugslaan op Koos, maar in ‘Koos wil dat jij hem wast’ wel. Dat de zinnen ‘Kees kust Koos’ en ‘Koos wordt door Kees gekust’ in grote lijnen dezelfde situatie beschrijven, met dezelfde kusser en dezelfde gekuste.
Maar wat moeten ze nu precies leren? In het ideale geval zou dit deel van het vak een beetje aansluiten bij de huidige stand van de wetenschap. De traditionele zinsontleding, het taalkundig en redekundig ontleden, volstaat daarvoor misschien niet – het is een in de loop van de eeuwen min of meer zelfstandig ontstaan systeem van termen en inzichten waarmee je op school heus wel kunt oefenen in het nadenken over zinsbouw – maar waarin allerlei vragen, zoals die over Koos en hem hierboven, niet goed beantwoord kunnen worden.
Bezield
Goed, dus we beslissen dat we het grammatica-onderwijs misschien willen vernieuwen. Het volgende obstakel is dan: naar welke wetenschappers richten we ons dan? In de huidige stand van de taalwetenschap zijn er allerlei scholen, met ieder eigen inzichten en eigen terminologieën.
De Utrechtse vakdidacticus én taalkundige Jimmy van Rijt heeft nu de logische volgende stap gezet. Samen met zijn Noorse collega Mari Nygård – het probleem is natuurlijk niet uniek voor Nederland, het doet zich overal voor – hield hij een enquête onder 58 specialisten van over de hele wereld om een lijst. Ze schreven er een artikel over voor het tijdschrift Open Linguistics. De belangrijkste figuur is deze:

De begrippen staan geordend van het belangrijkst naar het minst belangrijk; daarbij wordt verschil gemaakt tussen ‘belangrijk voor de wetenschap’ (blauw) en ‘belangrijk voor het onderwijs’ (paars), hoewel die twee in veel gevallen met elkaar overeenstemmen. Het belangrijkst zijn ‘syntactische functies’, zoals onderwerp en lijdend voorwerp, en zinstypen (vragende zin, bevel, enzovoort), het minst belangrijk recursie (het feit dat je bijvoorbeeld een zin als ‘Jan leest’ kunt inbedden in een andere zin als ‘Koos ziet dat Jan leest’) en animacy (bezieldheid; het feit dat ‘We ontnemen Koos zijn fiets’ met een ‘bezield’ meewerkend voorwerk Koos wel goed is maar ‘We ontnemen de auto zijn deur’ niet).
Bouwen
Je hoeft, geloof ik, geen taalkunde te hebben gestudeerd om in te zien waarom die eerste twee belangrijker zijn dan die laatste twee.
De overeenstemming was vrij groot, schrijven Van Rijt en Nygård, zeker gegeven het zelfbeeld dat taalkundigen vaak hebben: dat er enorme verdeeldheid is met al die scholen, en weinig overeenstemming. Misschien is die overeenstemming wel groter dan de wetenschappers zelf denken.
Het zou goed zijn om nu een methode op te zetten waarin al deze begrippen (of in ieder geval de belangrijkste vijf, of tien, of vijftien) toegankelijk worden gemaakt voor leerlingen. Een lesmethode die op een samenhangende manier leerlingen inzicht geven in wat volgens de wetenschap de belangrijkste ideeën zijn over de manier waarop wij mensen onze zinnen bouwen.
Opmerkelijk dat recursie zo laag staat. Het verschil tussen onderschikking (wel recursief, niet iteratief) en nevenschikking (niet recursief, wel iteratief) hangt ermee samen. Met recursie maak je nieuwe concepten, met iteratie som je alleen maar op.