
Het Nederlandse woord genoeg en z’n Friese cognaten hebben zich niet helemaal op dezelfde manier ontwikkeld. Zowel hun betekenis als hun plaatsbaarheid in zinnen en woordgroepen is verschillend. De Friese talen verschillen onderling ook weer. Ik geef hier voor genoeg-onderzoekers een klein (vrijwel zeker onvolledig) overzichtje van verschillen die mij zijn opgevallen.
Adjectivisering
Het opvallendste verschil is misschien dat in het Mooringer Fries nooch buigingsvormen heeft die wat lijken op die van bijvoeglijke naamwoorden, dus met het verschil tussen:
- nooch giilj (genoeg geld)
- nooge manschne (genoeg mensen)
Helemaal opgenomen in de klasse van bijvoeglijke naamwoorden is nooch dan weer niet: het kan geen lidwoord voor zich krijgen, en het krijgt ook geen aparte mannelijke buiging:
- lakeren kafe (lekkere koffie)
- nooch kafe (genoeg koffie)
- noogen kafe (uitgesloten)
Suffix
In de Friese talen heeft zich genoeg ook tot een suffix ontwikkeld, dat aan bijwoorden en aan vrijstaande bijvoeglijke naamwoorden gehangen kan worden, bijvoorbeeld:
- fûldernôch (fel genoeg – Westerlauwers Fries)
- boaldenouch (spoedig genoeg – Saterfries)
- gauenooch (snel genoeg – Mooringer Noordfries)
Verschillende van dit soort gevallen zijn als bijwoorden gelexicaliseerd. Bekende gevallen zijn in het Westerlauwers Fries spitigernôch (“spijtig genoeg” = helaas), likernôch (“gelijk genoeg” = ongeveer) en kleardernôch (“helder genoeg” = klaarblijkelijk). Neiernôch is dan weer minder gebruikelijk dan z’n Nederlandse tegenhanger nagenoeg. In het Noordfries zijn bijvoorbeeld kiiwenooch (“vervelend genoeg” = helaas) en knååpenooch (“knap genoeg” = ternauwernood). In het Saterfries bestaat wied genouch (“ver genoeg” = verreweg).
Ontkenbaarheid
Een opvallend verschil tussen het Nederlands en in elk geval het Westerlauwerse Fries is ook de vorm van ontkenning:
Bij een achteropgeplaatst genoeg
- Hij heeft geen geld genoeg. (regionaal)
- Hy hat gjin jild genôch (gewoon)
Bij een prenominaal genoeg:
- Er zijn geen genoeg mensen. (uitgesloten)
- Der binne gjin genôch minsken. (gewoon)
Betekenisverruiming naar ’te’
Interessant is ook hoe in het Westerlauwers en Saterfries de vormen voor genoeg niet alleen ‘boven de grens van wenselijkheid’, maar ook ‘boven de grens van onwenselijkheid’. In de laatste betekenis is het synoniem aan te. Het komt vaak voor met een ondervindend voorwerp.
Hier staan een paar Westerlauwerse voorbeelden van dat gebruik, die ik van internet heb geplukt:
- En dan, om mysels primityf neame to litten giet my fier genôch. (En dan, mezelf primitief laten noemen gaat me te ver)
- It meanen binammen wier in wirk, dat him op it lêst dregernôch waerd. (Het maaien vooral was een werk dat hem uiteindelijk te zwaar werd)
- De studint wier oars net gau ferbûke; mar dit wier him slimmernôch. (De student was trouwens niet snel boos, maar dit wat hem te erg)
En hier nog een in het Saterfries:
- Die knuchede läip genouch (Die hoestte te erg)
Die dubbele betekenis kan tot onduidelijk voeren. Als bijvoorbeeld een fotograaf z’n model verzoekt om een stukje achteruit te lopen, zodat er een fraaie compositie ontstaat, dan kan ie zeggen:
- Sa is it fier genôch! (Zo is het ver genoeg / te ver)
De strekking kan zowel zijn dat de genomen afstand de juiste is voor een goede foto, maar ook dat het fotomodel te ver weg staat.
Duzendsgenouch
Ten slotte is interessant dat het Saterfries een versterkte vorm heeft: duzendsgenouch (“duizendsgenoeg” = meer dan genoeg). Het Nederlands heeft wel overgenoeg gehad, maar in de krantencollectie op Delpher komt dat in 1927 voor het laatst voor en ik maak me sterk dat we dat als uitgestorven kunnen beschouwen.

Laat een reactie achter