Wat voor zinsdeel is ‘aan het wandelen’ in ‘Joke is aan het wandelen’?

Er komt een nieuwe editie van de Syntax of Dutch, de monumentale grammatica van het Nederlands van Hans Broekhuis en Norbert Corver! Ruim 5000 pagina’s telt dit gigantische naslagwerk in, en er staat alles in wat we weten over de zinsbouw van het Nederlands. Wat betekent dat er nog veel open plekken zijn.
Neem Joke is aan het wandelen op de hei. De constructie met aan het plus een onbepaalde wijs is een van de manieren die het Nederlands heeft om uit te drukken dat er iets gaande is. Maar hoe zit hij in elkaar? Is aan het wandelen een voorzetselgroep, of gewoon een vorm van het werkwoord gaan, zoals ook ging en ben gegaan dat zijn?
Als aan het wandelen een voorzetselgroep is, is ‘het wandelen’ een soort zelfstandig naamwoord, en de groep als geheel vergelijkbaar met Joke is in de tuin of Joke is aan het werk. Maar als aan het wandelen juist een werkwoordsvorm is, hoort de constructie thuis in het rijtje van hulpwerkwoord (is in dit geval) plus onbepaalde wijs, naast Jan moet wandelen of Jan wil wandelen.
Voorzetselgroep
Broekhuis en Corver voeren twee argumenten aan voor de voorzetselgroep-analyse, en ze zijn allebei tot op zekere hoogte overtuigend; maar er zijn ook problemen. Het eerste argument is de woordvolgorde. In een bijzin moet de aan het-reeks vóór de werkwoorden in de eindgroep staan: dat Joke aan het wandelen is op de hei, niet dat Joke is aan het wandelen op de hei. Dat is vreemd als aan het wandelen gewoon een werkwoord zou zijn, want werkwoorden mogen in het Nederlands doorgaans wél na het werkwoord verschijnen dat ze selecteert (dat ik dat boek heb gelezen is niet slechter dan dat ik dat boek gelezen heb).
Het tweede argument is wat ingewikkelder maar minstens zo onthullend. Bij voltooide tijden verschijnt het voltooid deelwoord geweest, niet een infinitief (wezen): Joke is aan het wandelen geweest, niet Jan is aan het wandelen zijn. Dat zogeheten IPP-effect — infinitivus pro participio, waarbij het voltooid deelwoord wordt vervangen door een infinitief — treedt typisch op bij hulpwerkwoorden (hij heeft willen komen, hij is wezen zwemmen), maar niet bij koppelwerkwoorden met een naamwoordelijk deel (hij is ziek geweest, niet hij is wezen ziek). Dat wijst op een koppelwerkwoord-constructie, en dus van een voorzetselgroep.
Dichtbedrukt
Er is ook nog het bewijs van de zelfstandige naamwoorden. Soms kan de onbepaalde wijs in de constructie worden vervangen door een onbetwist naamwoord: Joke is aan het werk naast Joke is aan het werken. Sommige dialecten hebben nog meer van dat soort constructies: ze waren aan de klets.
Maar hier begint het te wringen. Als de infinitief in aan het wandelen echt een zelfstandig naamwoord is, dan kun je sommige eigenschappen ervan niet verklaren. Een gewoon zelfstandig naamwoord kun je nader bepalen met een bijvoeglijk naamwoord. Dat geldt ook als het zelfstandig naamwoord afkomstig is van een werkwoord: het geanimeerde kletsen is uitstekend Nederlands. Alleen: niemand zegt de kinderen waren aan het geanimeerde kletsen, ook al zou je best kunnen begrijpen wat daarmee bedoeld wordt.
En dan zijn er de lijdend voorwerpen. Bij een gewoon van een werkwoord afgeleid zelfstandig naamwoord kun je het voorwerp binnen de groep plaatsen, al is die constructie niet heel fraai: het almaar boeken lezen van Joke drijft ons tot wanhoop. Maar bij de aan het-constructie moet het lijdend voorwerp erbuiten blijven: ze zijn boeken aan het lezen, niet ze zijn aan het boeken lezen. Het voorwerp staat links van de hele groep, alsof aan het lezen een ondeelbaar blok is te werkwoordelijk om nog echt een naamwoord te zijn, te naamwoordelijk om helemaal werkwoord te heten.
Wat is het nou? Het antwoord is, na 5000 dichtbedrukte pagina’s van het Nederlands: we weten het niet.
Wat je in de laatste zin van de eerste alinea onder het kopje ‘voorzetselgroep’ zegt, klopt niet helemaal. Voorzetselgroepen staan juist niet altijd braaf op hun plek vóór de werkwoordelijke eindgroep, in tegenstelling tot zelfstandignaamwoordgroepen. Je kunt zeggen ‘Ik heb de hele dag aan de vakantie gedacht’ maar ook ‘Ik heb de hele dag gedacht aan de vakantie.’ Of ‘ik heb het boek aan haar gegeven’ maar ook ‘Ik heb het boek gegeven aan haar’. Alleen richtingsbepalingen en predicatieve voorzetselgroepen staan braaf op hun plek vóór de werkwoordelijke eindgroep. Hier is vermoedelijk het argument dat ‘aan het wandelen’ een naamwoordelijk deel van het gezegde zou zijn (net als ‘aan de wandel zijn’).
Je hebt natuurlijk gelijk. Ik heb die zin nu helemaal weggehaald. Er valt nog wel meer over te zeggen, maar daarvoor leze men de (nieuwe) Syntax of Dutch.
Dat zijn goede argumenten voor een benoeming als voorzetselgroep, maar er zijn ook goede redenen om die progressiefconstructies als werkwoordelijk te benoemen. Je kunt zoiets als ‘aan het wandelen’ bijvoorbeeld alleen bevragen als een werkwoord, met een proverbum ‘doen’:
OK Waar is/zit/blijft Joke aan? Aan het bureau.
OK Waar is Joke? Aan het bureau?
OK Wat is Joke? Aan de schijterij.
* Waar is/zit/blijft Joke aan? Aan het wandelen.
* Waar is Joke? Aan het wandelen.
* Wat is Joke? Aan het wandelen.
OK Wat heeft Joke gedaan? Wandelen.
OK Wat zal Joke doen? Wandelen.
OK Wat doet Joke? Wandelen.
OK Wat is Joke doen? Wandelen.
OK Wat is Joke aan het doen? Wandelen.