
De buurvrouw staat op de stoep, kijkt schuin de straat af, en zegt gemelijk: ‘Die mensen, die voeren nooit wat goeds in hun schild.‘ Wat nu?
Wie precies bedoeld worden, blijft in het midden. Misschien dat ene gezin halverwege de straat dat vorige week opnieuw bezoek had van de politie. Misschien gewoon de bewoners van een ander deel van de wijk. Misschien Marokkanen, want die zijn in dat deel demografisch oververtegenwoordigd. Reageer je nu verontwaardigd, dan kan de buurvrouw altijd nog zeggen dat ze het niet zo bedoelde. Ze bedoelde natuurlijk die ene betekenis die jou niet boos maakt.
Moeiteloos
De filosoof Milan Ney schrijft over dit soort taalmanipulaties in een nieuw nummer van Linguistics & Philosophy. Ze heeft er ook een geleerde term voor bedacht: insinuatieve referentie. Het is een aanvulling op een typologie van insinuerend taalgebruik die in de afgelopen jaren langzaam is opgebouwd.
De oudste en meest klassieke variant is de gewone insinuatie. Een automobilist die te hard gereden heeft, legt, duidelijk zichtbaar voor de agent, een briefje van vijftig euro op het dashboard en vraagt: ‘Is er een manier waarop we dit hier en nu kunnen oplossen?’ De zin is letterlijk een vraag over procedures, maar er ligt ook een andere boodschap onder. Of niet. De spreker kan altijd volhouden dat hij maar een vraag stelde.
De insinuatieve referentie van Ney werkt net een beetje anders. Hier zit de truc niet in een afgeleide boodschap, maar in een aanwijzend woord met meer dan één mogelijke aanwijzing. Die mensen — vage woorden waarvan de betekenis door de context wordt aangevuld. De spreker bedoelt een specifieke groep, maar de context laat ook een onschuldigere lezing toe. Anders dan bij klassieke insinuatie kun je in dit geval in een volgende zin terugverwijzen. ‘Ik heb ze in de gaten.’ Dat slaat moeiteloos terug op de bedoelde groep, wat die ook moge zijn.
Wijkbewoner
Dan is er nog het hondenfluitje, de dog whistle. Daar gaat het om vaste woorden of begrippen: een politicus zegt probleemwijken en een deel van het publiek hoort iets anders dan de rest. De ontkenbaarheid wordt hier gedragen door de woordkeuze zelf, en die woordkeuze is min of meer geconventionaliseerd. Insinuatieve referentie heeft die conventionalisering niet nodig: elk aanwijzend voornaamwoord kan in het juiste gesprek de truc uithalen.
En tot slot: de pseudo-insinuatie. Ney noemt het voorbeeld van de drievoudige haakjes — (((they))) — die een aantal jaren geleden in gure uithoeken van het internet rond verwijzingen van Joden werden gezet: ‘(((They))) have taken control’, ‘That is the result of (((Mr. Goldstein’s))) policy’ . Het zag eruit als insinuatie, maar de de haakjes lieten geen enkele twijfel bestaan, in ieder geval niet voor de ingewijden. En wie de code niet kende was er helemaal geen boodschap. Die haakjes zijn een manier om zo duidelijk mogelijk te maken dat je aan het insinueren bent, lang nadat de noodzaak daarvoor is weggevallen.
Insinuatieve referentie gedijt, schrijft Ney, in conversaties waarvan de deelnemers weten dat hun belangen misschien niet op één lijn liggen. Niet zeker van niet – dan is het te link – maar ook niet zeker van wel — dan is het nutteloos. Het is de taal van een samenleving die zo gepolariseerd is dat het in het dagelijks taalgebruik doorgedrongen is, van de afstandelijke wijkbewoner, van de collega die je nét niet kent. Van die mensen, die nooit iets goeds in hun schild voeren.
Laat een reactie achter