
Wat zeg je, op de lastige momenten dat je broer vertelt dat hij taart meeneemt naar de picknick?Jíj́ zou het toetje maken. Dus je roept verontwaardigd uit: ‘Ik maak toch het toetje!’ Dat ene woordje toch doet allerlei dingen tegelijk: het herinnert je broer aan een eerder gemaakte afspraak, het maakt duidelijk dat er een verschil is met wat hij net zei, en het drukt je irritatie uit.
In het Journal of Pragmatics rapporteren de onderzoekers Hannah Seemann, Merel Scholman en Ted Sanders over een onderzoek naar het Duitse doch en het Nederlandse toch en stelden de vraag in hoeverre dit soort op het eerste gehoor zo onopvallende woordjes sturen hoe een luisteraar de samenhang tussen zinnen interpreteert.
Die hond
Toch heeft twee basisfunctie. Allebei draaien ze om gedeelde kennis. De eerste is iemand ergens aan herinneren. Je buurvrouw biedt je ’s avonds koffie aan, en je zegt: ‘Ik drink toch nooit koffie na vier uur’. Het woordje signaleert hier: dat wist je al, ik hoef het je eigenlijk niet te vertellen, maar ik herinner je er toch maar even aan. De tweede functie van toch is de correctie. Je gesprekspartner zegt dat Katrien een hond heeft gekregen, en jij antwoordt: ‘Katrien heeft toch een kat gekregen, geen hond’. Hier geeft toch niet alleen gedeelde kennis aan maar ook een spanning met wat er net beweerd werd.
Er zijn ook zinnen waarin toch niet kan of in ieder geval gek is, dan heeft het die basisfuncties niet. In de zin ‘Ik heb heerlijk nieuws: ze heeft toch onlangs een hond gekregen’ wringt toch, in ieder geval als de spreker er hierna het zwijgen toe doet, omdat toch informatie als bekend markeert die hier juist als nieuw wordt gepresenteerd. Je verwacht dus eigenlijk nu nog iets over die hond. (‘En nu blijkt haar vriend allergisch te zijn voor het dier’); dan herinnert de zin je aan eerder gezamenlijk gedeelde informatie.
Duwtje
De onderzoekers lieten Duitse en Nederlandse proefpersonen onder andere ambigue zinnen te lezen. Daarna moesten ze kiezen welk voegwoord het beste paste: omdat, hoewel, of en. Neem de volgende kerstdinerzin: ‘Mijn zus zegt dat mijn ouders twee gangen bereiden ____ ik (toch) een salade meebreng’. Zonder toch koos 39 procent van de deelnemers omdat, dat een oorzakelijk verband aangeeft. Met toch in de zin steeg de keuze voor hoewel van zo’n 30 naar 55 procent. Toch kantelt de interpretatie: van ‘dit is de reden’ naar ‘dit is ondanks’.
Voor doch in het Duits en toch in het Nederlands waren de bevindingen vrijwel dezelfde. Of dat ook geldt voor andere woordjes en/of andere talen blijft een open vraag, maar het zou een beetje gek zijn als het niet zo was. Ongeveer de helft van alle discrelaties tussen zinnen in een tekst wordt niet expliciet uitgedrukt door een voegwoord als want of hoewel. Dit onderzoek laat zien dat kleine, onbeklemtoonde woordjes als toch een deel van die leegte opvullen, door de context zo bij te stellen dat de luisteraar de juiste interpretatie vermoedt. Toch is een duwtje in de rug van de luisteraar, net de goede richting in.
Laat een reactie achter