
Afgelopen zaterdag schreef Steven Pinker een triomfantelijke tweet, en inmiddels staat er al een paar dagen een heus wetenschappelijk artikel op Lingbuzz (de website voor taalkundige manuscripten waar ik soms mijn hete nieuws voor deze stukjes vandaan haal) dat Pinker weerlegt.
Ziedaar de zegeningen van de kunstmatige intelligentie. Want blijkens een noot aan het eind was het artikel ‘drafted and revised with assistance from Anthropic Claude and OpenAI Codex (GPT5).’ De auteur, de Canadese filosoof Brett Reynolds, meldt ook nog dat ‘all content has been reviewed and revised by the author, who takes full responsibility for the final text’, maar het werk had dus vermoedelijk niet zo snel gedaan kunnen worden zonder Claude en Codex.
Hier is Pinkers tweet:

Dat het artikel zo snel door kunstmatige intelligentie in elkaar is gezet, blijkt in dit geval uit het feit dat het ontzettend ingewikkeld is. Het is geloof ik allemaal geen onzin die er staat, maar ik weet niet of er behalve Brett Reynolds nog iemand is die het helemaal kon peilen. Het gebruikt jargon uit allerlei taalkundig én allerlei wetenschapsfilosofisch werk door elkaar, waardoor je als lezer voortdurend moet schakelen. Het levert zinnen op als:
Perturbation coupling itself admits of degree: symmetric coupling licenses full single-category confidence, while asymmetric coupling preserves single-category status at lower confidence and narrower projection
Toch is de kern van het idee volgens mij betrekkelijk eenvoudig, en ook zinnig. Het zegt dat het woord taal verschillende dingen aanduidt – sommige mensen bedoelen er het menselijke vermogen mee om mee te communiceren, andere ingewikkelde sociale afspraken die we Duits of Engels noemen en nog weer andere verzamelingen woorden of zinnen. Die dingen hebben alleen maar losjes met elkaar te maken , en daarom kun je een bewijs uit het ene gebied niet zomaar gebruiken voor te beweren dat wat jij in een ander domein zegt klopt.
Wat is er aan de hand? Het artikel van Casten en collega’s in Science Advances gaat over een groot genetisch onderzoek. Bij 350 kinderen maten deze onderzoekers taalvaardigheid via zinsherhaling: de onderzoeker zegt een zin voor, het kind herhaalt hem. Daaruit destilleerdn ze één score, F1. Die score blijkt te correleren met variatie in HAQERs, een minuscuul deel van het genoom dat in de menselijke evolutie snel veranderd is. Dat genoom delen we met bepaalde groepen andere zoogdieren die communiceren met geluid — walvissen, zeehonden, vleermuizen.
Drie dagen later stuurt Steven Pinker de bovendstaande tweet waarin hij beweert dat een en ander ouder werk van hem in het gelijk stelt: het nieuwe onderzoek levert een bewijs voor een uniek-menselijk, taalvermogen, als een apart deel van de menselijke cognitie los van algemene intelligentie, geëvolueerd door natuurlijke selectie.
Reynolds laat zien dat dat niet klopt. Een proef met zinsherhaling meet het werkgeheugen, aandacht, hoe soepl je woorden kunt vinden en articulatie naast grammatica. En de HAQERs delen we nu juist met andere zoogdieren; dat is dus niet uniek menselijk. Het bewijs steunt iets bescheidens: een breed neuro-genetisch substraat voor vocaal vermogen. Pinker leest het als bewijs voor iets veel groters: een specifieke menselijke taalfaculteit.
De truc zit in het woord taal. Casten en collega’s meten “language ability”, Pinker verdedigt een “language faculty”. Dat zijn twee begrippen die je allebei met taalvermogen kunt vertalen, maar die net over iets anders gaan. Language ability betekent dat de menselijke hersenen taal kunnen begrijpen en taal kunnen voortbrengen; dat is op zich geen nieuws, en wat Casten laat zien is dat een bepaald deel van onze genetische code daarvoor verantwoordelijk is, en die de verschillen tussen mensen deels bepaalt. Pinkers language faculty was veel specifieker: dat hield in dat mensen, alle mensen, iets gemeen hebben dat andere dieren niet hebben. Die bewering wordt door Casten niet weerlegd, maar ook zeker niet bewezen. Ze hebben het eenvoudigweg over wat anders.
Laat een reactie achter