
Een van de privileges van de hoofdredactie van Neerlandistiek is dat je soms boeken mag lezen voor ze verschenen zijn. Het is voor jullie, eenvoudige stervelingen, nog een paar maanden wachten tot de nieuwe editie van Syntax of Dutch verschijnt, maar ik heb hem hier al, dankzij de hoofdauteur Hans Broekhuis En steeds als ik er elektronisch doorheen ga, ontdek ik iets nieuws over mijn moedertaal die ik al zolang spreek en waar ik al zolang over nadenken. Bijvoorbeeld dat er een groep Nederlandse werkwoorden is waarvan ik nooit eerder had gehoord, hoewel ik ieder van de leden kende. De schrijvers van de Syntax of Dutch noemen ze ondatieve werkwoorden. De drie belangrijkste leden: hebben, houden en krijgen.
Ondatief? Ik kende al wel het onaccusatieve werkwoord. Dat is een werkwoord waarvan het onderwerp geen echte handelende persoon is, maar eerder iemand of iets dat iets overkomt. Vallen bijvoorbeeld, of sterven, of arriveren. “De vaas valt”, de vaas doet niets, de vaas ondergaat zijn val. Het idee is dat vaas hier een soort lijdend voorwerp is, maar dat het werkwoord niet de bij het lijdend voorwerp passende naamval kan toekennen, de accusatief. Dat lijdend voorwerp moet daarom wel tot onderwerp worden, zodat het een naamval kan krijgen: de nominatief. Vandaar de naam: on-accusatief, “geen accusatief toekennend”.
Handelend
Ondatieve werkwoorden zijn daar de perfecte parallel van. Het onderwerp van die zinnen is een zekere zin een meewerkend voorwerp. Als ik een cadeautje krijg, komt dat omdat jij mij een cadeautje geef. De rol van ik en mij in die twee zinnen is hetzelfde: die van meewerkend voorwerp. Alleen heeft geven wel de bijbehorende naamval (de datief) en krijgen kennelijk niet. En dus moet mij daar het onderwerp van de zin worden, en daarom ik. In “Het meisje krijgt een brief” onderneemt het meisje geen actie. In “De jongen krijgt een tik op de vingers.” ondergaat de jongen die tik.
Normaal gesproken gaat het onderwerp samen met de nominatief, het lijdend voorwerp met de accusatief, het meewerkend voorwerp met de datief. Maar in sommige werkwoorden worden de rollen onderwerp of voorwerp losgekoppeld van de bijpassende naamval nominatief, accusatief of datief.
Die observatie heeft opmerkelijke gevolgen. Het eerste is dat je van deze werkwoorden geen -er-afleiding kunt maken. Een loper is iemand die loopt, een schrijver iemand die schrijft. Bij die werken is het onderwerpen dan ook iemand die actief aan de handeling deelneemt. Maar het woord krijger bestaat natuurlijk wel, maar alleen in de betekenis van iemand die ten strijde trekt, niet in de betekenis “iemand die iets ontvangt”. Het woord hebber bestaat zelfs helemaal niet (hebberd wel, maar ook dat is niet zomaar iemand die iets heeft). -er-vorming heeft een handelend onderwerp nodig, en dat hebben deze werkwoorden niet.
Overkomen
Een tweede gevolg is dat je ze niet in de lijdende vorm kunt zetten. De brief werd gekregen of gehad of gehouden kun je niet goed zeggen. Ook hier is de verklaring: een lijdende vorm kun je alleen maken als het werkwoord een echt handelende persoon heeft, en dat hebben deze werkwoorden niet.
Het zit volgens Broekhuis en Corver nog wat ingewikkelder in elkaar. Juist omdat krijgen zelf geen datiefnaamval heeft, is het geschikt geworden als hulpwerkwoord in een constructie die wel lijkt op de lijdende vorm: de krijgen-passief. “Marie kreeg het boek aangeboden.” Het meewerkend voorwerp van de actieve zin (“Jopie bood Marie het boek aan”) wordt daarin onderwerp. Marie moet wel naar voren, wil ze nog enige naamval krijgen. Dezelfde constructie bestaat overigens in het Duits, met bekommen (het bekommen-Passiv), en in beide talen zijn het precies ondatieve werkwoorden die deze rol kunnen vervullen.
Veel ondatieve werkwoorden zijn er om niet opgehelderde reden niet. Drie kernwerkwoorden hebben, houden en krijgen, plus een handvol andere kandidaten (weten, kennen, behelzen, bevatten) die er volgens de nieuwe Syntax of Dutch misschien ook bij horen. Het zijn allemaal dingen die ons overkomen in plaats van dat we ze doen.
Laat een reactie achter