Door Henk Wolf Aan het einde van de negentiende eeuw richtten boeren in Nederland op veel plaatsen coöperatieve zuivelfabrieken op. Tot ver in de twintigste eeuw hadden veel mensen op het platteland direct of indirect met zulke fabrieken te maken. Mijn grootouders hadden het er vaak over en zij spraken daarbij steevast van de koperaasje. Nog steeds wordt de grote zuivelfabriek … [Lees meer...] overKoperaasje en alkolist
etymologie
Knosbien? Knorsbien? Knasbien?
Door Henk Wolf Soms hangt taalkunde van toeval aan elkaar. Zo maakte mijn schoonmoeder tijdens een etentje een opmerking over het vlees in de groentesoep. Daar kon misschien nog een stukje knaster in zitten. Ik begreep uit de context dat ze daarmee een zeentje bedoelde, een stukje kraakbeen, maar ik kende het woord niet. Mijn schoonouders zijn Groningers en gebruiken knaster … [Lees meer...] overKnosbien? Knorsbien? Knasbien?
De etymologie van Velpon
Door Wouter van der Land Merknamen zijn taalkundig interessant omdat ze zich niets aantrekken van de gangbare woordvormingsregels. Het huishoudmerk ‘Sorbo’ is bijvoorbeeld gevormd door het woord ‘absorb’ aan de voorkant in te korten, maar aan de achterkant te voorzien van een achtervoegsel. En het elektronikamerk ‘Rowenta’ is een vrije letterkeuze op volgorde uit de naam … [Lees meer...] overDe etymologie van Velpon
Nogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden
De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten. Door Peter Schrijver Ik had nooit gedacht dat een discussie … [Lees meer...] overNogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden
Tijdverlies
Door Michiel de Vaan tijdverlies zn. ‘tijdverspilling, tijdverlies’ Samenstelling van tijd en verlies. Vroegmiddelnederlands titverlis betekent vooral ‘tijdverspilling, het verdoen van tijd’. Oudste attestatie in Dijn wise wort si sonder fel ende sonder tijtverlies dijn spel (van Maerlant, Spiegel Historiael, Eerste partie, 1283), en ook regelmatig na 1300, bijv. Al haer … [Lees meer...] overTijdverlies
Flamenco, flamingo’s en Vlaanderen
Door Viorica Van der Roest Een raadsel: wat is het verband tussen Andalusische muziek, Vlaanderen en knalroze vogels? Al sinds ik jaren geleden begon met het volgen van flamencodanslessen heb ik me dat afgevraagd. De mysterieuze link tussen de Andalusische flamencomuziek en Vlaanderen (een Vlaming heet een ‘Flamenco’ in het Spaans) is het eigenlijke probleem, maar die roze … [Lees meer...] overFlamenco, flamingo’s en Vlaanderen
Mooi Nederlands (6): woord
Medewerkers van de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit kiezen deze week – de week tussen de oraties van Marc van Oostendorp en van Lotte Jensen, twee nieuwe Nijmeegse hoogleraren – mooie brokken Nederlands. We gaan van groot naar klein. Vandaag kiest Margit Rem een mooi woord – boulevard. … [Lees meer...] overMooi Nederlands (6): woord
Fiets–vitis–vicis. Wellicht stamt fiets af van Latijn vitis, niet vicis
Door Gerard Kempen In zijn onlangs verschenen De taal van de fiets vat Wim Daniëls in tien bladzijden de diverse theorieën samen over de herkomst van het woord fiets. Aan het eind van zijn overzicht concludeert hij dat niemand weet welke van de genoemde verklaringen de juiste is. Hij voegt daaraan toe: “Dat is van de ene kant jammer, van de andere kant is het ook wel … [Lees meer...] overFiets–vitis–vicis. Wellicht stamt fiets af van Latijn vitis, niet vicis
zoeven
Door Michiel de Vaan zoeven ww. ‘suizen, snorren’ Mogelijk in oorsprong een klanknabootsende vorm *sūf of *sōf, vgl. ook suizen uit klanknabootsend *sūs. De overlevering laat een opvallende verdeling zien: het woord komt eenmaal voor in het Middelnederlands, als gesoef ‘gehuil’ in 1360 (tgesoef van den heere ‘het gehuil van het leger’). Daarna pas weer in de 19e eeuw, als … [Lees meer...] overzoeven
Zieltogen
Door Michiel de Vaan zieltogen ww. ‘op sterven liggen’ Middelnederlands sieltōghen ‘de laatste adem uitblazen, in doodsstrijd liggen’ (1455–1465, in Devote oefeninge van Brugman: Ooc sach se hem bleeck werden ende sieltoghen, ende in dat leste saghen se hem ... sinen geest geven); met Gelderse overgang o > a in Teuthonista (1477) syeltaighen ww., syeltaigher ‘die op … [Lees meer...] overZieltogen
wurgen
Door Michiel de Vaan wurgen ww. ‘de keel dichtknijpen’ Vroegmiddelnl. verworgen ‘wurgen’ (1240), worgen ‘bij de keel grijpen’ (1291–1300), ghewurghet ‘gewurgd’; Middelnl. worgen, verworgen ook onovergankelijk ‘stikken, smoren’, (1479). Nieuwnl. worgen (1510), gewercht (1573), wurgen (1617). Nog rond 1900 geldt worgen ook in het Noordnederlands als de standaardvariant, na … [Lees meer...] overwurgen
wuft
Door Michiel de Vaan wuft bn. ‘frivool’ Mnl. wijft ‘beweeglijk’ (1475–1495), Nnl. wift ‘beweeglijk, onbezonnen, lichtzinnig’ (1562), bw. wifjes ‘op levendige wijze’ (1659); met -u- Nnl. wuft ‘beweeglijk; dwalend, zwervend; lichtzinnig, onbestendig’ (1602), zelden wuf (1624). De u-vormen lijken vooral Hollands. Dialecten: Gronings, Oostfries wif ‘beweeglijk, wispelturig, … [Lees meer...] overwuft
Wichelen
Door Michiel de Vaan wichelen ww. ‘voorspellingen doen uit tekens’ Middelnederlands vyghlen (1414), wijchelen ‘waarzeggen, voorspellen’ (1437). Nieuwnl. wijchelen ‘voorspellen’ (1528), wichelen (1588). Afleidingen onder andere Mnl. en Nnl. wichelare, wijchelaer, wijgheler ‘waarzegger’ en wichelije ‘waarzeggerij’. Zie voor de samenstelling wichelroede de desbetreffende … [Lees meer...] overWichelen
waterlander
waterlander zn. ‘traan’ Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op den dijck laten komen ‘beginnen te tranen’, in Sartorius’ bewerking en vertaling van Erasmus’ … [Lees meer...] overwaterlander
Vleet
vleet zn. ‘visnet; menigte’ Vroegmiddelnederlands vlete v. ‘bij één vissersboot behorende partij visnetten’ (1293–1298, Calais). Nieuwnl. vlete (1535), vleet (1630) ‘visnet, verzameling visnetten’, al de vleet ‘de hele boel’ (1612), bij de vleet ‘in overvloed’ (ca. 1720). In dialecten onder andere Westvlaams vlote, Zeeuws vloot, Zaans vleet naast vloot. Dezelfde … [Lees meer...] overVleet
zwachtel
Door Michiel de Vaan zwachtel zn. ‘windsel’ Middelnederlands zwachtel (1421), swechtel (1425–1450) v. ‘doek, luier, windsel’. In de 15e eeuw is a-vocalisme kenmerkend voor Holland, e-vocalisme voor het Oostnederlands. In het zuiden wordt het woord niet aangetroffen. Nnl. swechtel ‘luier’ (1505, Antwerpen: Een Boecxken van deuocien gheheeten die Neghen couden), swachtel … [Lees meer...] overzwachtel
Zwerk
Door Michiel de Vaan zwerk zn. ‘hemel’ Vroegmiddelnederlands swerc o. ‘wolk, wolken’ (1285), swerkigh bn. ‘als van een donkere wolk’ (1285); Mnl. gheswerc ‘donkere wolken’ (1390-1410), beswerct ‘beneveld’ (1340-1360). Nnl. swerck ‘wolk, wolkendek’ (ca. 1500), swerrech (1612), swergh (1622), zwurf (18e eeuw, Den Haag), vaak ook ‘donkere, onheilspellende wolk(en)’ (va. 1500); … [Lees meer...] overZwerk
sneuvelen, sneven
Door Michiel de Vaan sneuvelen ww. ‘omkomen’ Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands. Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, vergaan, in de strijd vallen’; snevel, sneuvel ‘onheil, misstap’ … [Lees meer...] oversneuvelen, sneven
Etymologisch snacken
Door Marc van Oostendorp Wie een beeld van de Nederlandse taalcultuur aan het begin van de 21e eeuw wil schetsen, kan niet om Wim Daniëls heen. Die man verenigt in zijn persoon en zijn werk zo'n beetje die hele cultuur. Dat blijkt ook weer uit zijn nieuwste boek Koken met taal, dat verscheen bij Thomas Rap. Daniëls is een aardige man: iemand die hard werkt, geen kapsones … [Lees meer...] overEtymologisch snacken
kreek
Door Michiel de Vaan kreek zn. ‘smal water’ Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland. Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), nederzetting die Creke (Middelburg, 1341). Mogelijk is het bekende … [Lees meer...] overkreek
klovenier
klovenier zn. ‘schutter’ Middelnederlands coloverier (Brielle, 1445–1455) ‘schutter, soldaat die een schietbus ofwel colover bedient’, colloevenier (Dordrecht, 1451–1500, echter geciteerd in 1677), culuvrenier (Ieper, 1488), culoverier (Gent, 1489). Nieuwnederlands coluevrenier (Oudenaarde, 1507), culluevrier (Gent, 1510), collovrier en coluvrenier (Gent, … [Lees meer...] overklovenier
kleineren
kleineren ww. ‘in waarde verkleinen; krenken’ Middelnederlands cleeneren (1330-1332)? Nieuwnl. kleynéren ‘verminderen’ (1599, Kiliaan; naast kleynen met dezelfde betekenis), kleyneere (1648) ‘doen verminderen’, kleyneeren ‘minder (waard) worden’ (1671), kleineeren ‘minachten’ (1701). Nnl. vercleyneringhe ‘vermindering’ (1580) veronderstelt een ww. *verkléineren, in … [Lees meer...] overkleineren
zegge
zegge zn. ‘rietgras’ Middelnederlands alleen in plaatsnamen, bijv. Zecvelt (13e eeuw) ‘Zegveld’ (prov. Utrecht), Zegcamp, Zeccamp (1334, Moordrecht), Segacker (1417, Gelderland); cf. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (1950), 65–66. Nieuwnederlands segge (1578), seck (1599, Zeeland), zegge (1608). In dialecten: Vlaams zagge, Zeeuws, Gronings, Drents sek, Twents zegge. … [Lees meer...] overzegge
Zavel
zavel zn. ‘zand, zandige grondsoort’ Oudnederlands Sauelberga ‘Zavelberg’ (1198), Middelnederlands Thomas de Zavle (Calais, 1282), savel m. ‘zand’ (1324), saveligh ‘zandig’ (1464), Savel ‘plein’ (1450–1470; waarschijnlijk als vertaling van Frans Sablon in dezelfde functie). Nieuwnl. sauel ‘zandige grond’ (1502), ‘grof zand’ (1552), zavel (1602); van de … [Lees meer...] overZavel
wouw (plant)
Door Michiel de Vaan wouw ‘reseda luteola’, plant waaruit gele verfstof wordt gewonnen Middelnederlands woude v. (1288–1301) ‘wouw, plant gebruikt voor het verven van textiel’, wouwe (1498, Leiden), Nieuwnederlands woude (nog sporadisch in de 16e eeuw), wouwe (1554), wauwe (1562), wou (1531, Leiden), wouw (1696) ‘reseda, geelvervende plant’. Afleiding: Mnl. wouden ww. … [Lees meer...] overwouw (plant)






