Een onderzoek naar betekenisverandering
Als we in het Nederlands spreken van een queer artist, wat betekent het woord queer dan? Van oorsprong betekent het Engelse woord queer zoiets als vreemd, ongewoon of verdacht. Vanuit die betekenis werd queer vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer ingezet als een beledigende term voor mensen met een non-normatieve seksualiteit. Aan het eind van de twintigste eeuw ontstond een tegenbeweging: binnen de LHBTIQ+-gemeenschap werd queer gebruikt als positieve en inclusieve identiteitsaanduiding. In het Nederlands kennen we queer nu als een term voor iemand die zich niet in een hokje wil laten duwen wat betreft sekse of seksuele voorkeur.
Hoe kan het dat zo’n woord verschuift in betekenis? Voor mijn master Neerlandistiek aan de Universiteit Leiden probeerde ik in kaart te brengen hoe zo’n proces van betekenisverandering werkt. Ik vroeg me af wat het betekent als je iemand woke of queer noemt, dus bekeek ik de woorden woke en queer in de afgelopen tien jaar. Is het een verwijzing naar de woordenboekbetekenis van het woord of bedoelt iemand iets anders met het woord? In het geval van woke lijkt het of het woord in de afgelopen tien jaar van een neutrale betekenis naar een negatieve connotatie is gegaan. Queer laat juist het tegenovergestelde proces zien: van scheldwoord naar symbool van trots. Deze tegenovergestelde verschuiving maakt de woorden woke en queer interessant om te vergelijken.
Volgens het woordenboek betekent woke zoiets als: iemand die zich sterk bewust is van racisme en sociaal onrecht. Hoewel dit een redelijk neutrale tot positieve verwoording is, voelen we allemaal wel aan dat er inmiddels meer achter het woord zit. In het nieuws werd woke al omschreven als een bedreiging van vrijheid van meningsuiting en de oorzaak van cancel culture en polarisatie. Dat verschil laat zien dat de betekenis van termen zoals woke en queer sterk contextafhankelijk is: de connotaties, dus de sociale en emotionele betekenissen die een woord draagt, zijn afhankelijk van gedeelde overtuigingen en maatschappelijke ideologische ontwikkelingen.
Connotaties ontstaan niet uit de woordenboekbetekenis van een woord, maar uit de manier waarop het in specifieke contexten wordt gebruikt. Door herhaald gebruik in bepaalde contexten gaan sprekers en hoorders er gedeelde associaties, emoties en waarden aan verbinden. Die connotaties kunnen per sociale groep verschillen door verschillende gedeelde kennis en waarden. Connotaties ontstaan niet in één keer. Ze groeien geleidelijk doordat woorden steeds opnieuw in vergelijkbare contexten worden gebruikt. Als woke dus continu als synoniem van extreemlinks wordt gebruikt, of samen met woorden als ‘radicaal’, ‘criminaliteit’, ‘propaganda’ of ‘rotzooi’ (en dat wordt het, zag ik in mijn onderzoek), zal die negatieve context na verloop van tijd aan het woord blijven plakken. In eerste instantie drukt een spreker vooral diens eigen houding uit (subjectivity). Door herhaald gebruik ontstaat een patroon: hoorders gaan het woord automatisch met bepaalde evaluaties verbinden. Het woord krijgt dan ook een intersubjectieve functie. Dat betekent dat het niet alleen een persoonlijke houding uitdrukt, maar ook de relatie tussen de spreker en hoorder structureert. De spreker kan er bijvoorbeeld impliciet vanuit gaan dat de hoorder dezelfde evaluatie deelt, maar kan het woord ook gebruiken om iemand juist in een bepaalde positie te plaatsen of te bekritiseren. Zo kan een neutrale term langzaam een negatieve lading krijgen. Sprekers kunnen zulke processen ook strategisch benutten: pandering. Door bepaalde woorden te kiezen sluiten sprekers aan bij bestaande overtuigingen en emoties en attitudes en maken ze hun standpunt overtuigender.
Dergelijke negatieve connotaties vormen vaak de eerste stap in het proces van pejorisatie: niet het woord zelf verandert spontaan, maar de sociaal-culturele evaluaties die ermee geassocieerd worden. Pejoratieven zijn woorden die niet alleen een semantische betekenis dragen, maar ook een negatieve, pragmatische betekenis. Deze woorden of uitspraken kunnen negatieve associaties en connotaties oproepen om de ander te kleineren. Het Nederlandse woord ‘wijf’ is daar een bekend voorbeeld van. Ooit betekende het simpelweg ‘niet-adelijke vrouw’. Toen het woord ‘vrouw’ in de loop van de tijd een standaardterm werd, bleef ‘wijf’ vooral in negatieve contexten bestaan en kreeg het denigrerende betekenis.
Sommige pejoratieven zijn dusdanig negatief, dat ze de vorm van slurs aannemen: een beledigende en denigrerende term die bedoeld is om een sociale groep te kleineren. De kracht van slurs is groter dan bij gewone scheldwoorden of pejoratieven, omdat ze vaak ingaan op maatschappelijke ongelijkheid. Een slur is zelfs zo krachtig, dat zelfs citaten, ironie, fictie, negaties en klank-nabije woorden niet gepast zijn. Woke wordt volgens mijn onderzoek wel pejoratief gebruikt, maar heeft (nog) niet de vaste, sterk beledigende lading die kenmerkend is voor slurs.
In plaats daarvan zien we dat woke vaak in ironische of satirische contexten verschijnt. Wanneer iemand bijvoorbeeld zegt: ‘Heel woke van je!’, kan dat zowel een oprecht compliment zijn als een spottende opmerking. In zo’n uitspraak ontstaat een zekere vorm van ambiguïteit: de uitspraak lijkt op het eerste gezicht positief of bevestigend, maar kan afhankelijk van de context en gedeelde attitudes tussen spreker en hoorder functioneren als een oprecht compliment of juist een ironische uitspraak. In dat laatste geval kan het zo zijn dat het woordgebruik van anderen wordt geëchood, om zo afstand te nemen van de manier waarop anderen de term woke gebruiken. Om de ironische toon te laten slagen, moeten spreker en hoorder met elkaar op een lijn zitten. Tegelijkertijd wordt bij dit soort gebruik telkens de negatieve connotatie van het woord geactiveerd. Ironie kan daardoor bijdragen aan het versterken en verspreiden van negatieve associaties.
Queer was ooit die pejorisatiefase al voorbij en functioneerde wel als slur. Vanaf dat punt is queer (weliswaar in het Engels) verder gaan ontwikkelen. De groep in kwestie is de term terug gaan claimen. De negatieve kracht van het woord werd daarbij als het ware omgedraaid en ingezet als een trotse identiteitsaanduiding. Het kan per sociale groep verschillen in hoeverre een woord teruggeclaimd is. Zo worden woorden als dyke, of het Nederlandse pot, soms binnen de eigen gemeenschap als geuzennaam gebruikt, terwijl ze van buitenaf nog steeds als beledigend kunnen worden ervaren. Wanneer een woord steeds vaker positief of trots wordt gebruikt, kan er geleidelijk een nieuwe betekenislaag ontstaan. In het geval van queer is het proces nog een stap verder gegaan: het woord wordt tegenwoordig gebruikt als neutrale overkoepelende term voor mensen die zich niet binnen traditionele categorieen van gender en seksualiteit plaatsen, of als synoniem voor de LHBTIQ+-gemeenschap. Daarmee is het woord weer teruggekeerd naar een descriptieve term.
De processen van pejorisatie en reclaiming laten duidelijk zien hoe dynamisch betekenis is en hoe sterk betekenis wordt beïnvloed door context en sociale en ideologische waarden. In de Nederlandse taal kennen we naast woke en queer veel van dit soort ‘modewoorden’, die sterk leunen op hun pragmatische betekenis. Voorbeelden zijn politiek correct, dat de ontwikkeling van positieve betekenis naar negatieve betekenis lijkt te maken, boomer, dat zich van neutraal naar negatief lijkt te ontwikkelen en klimaatgekkie, dat juist van negatief naar positief lijkt te gaan.

Laat een reactie achter