
Als iets een naam krijgt, wordt het op een nieuwe manier echt. Een komloertjie is een korte regenbui die heel lokaal is, en slechts op één plaats valt. Het komt van ‘kom’ en ‘loer’, het is een buitje dat komt loeren. Ik had er nog nooit over gedacht, over zulke buitjes, maar inderdaad: ik heb in mijn leven ook menig komloertjie meegemaakt. Elders op de wereld, in de Noord-Kaap in Zuid-Afrika hebben ze er woord voor. Dat komt uit het zogeheten Gariepafrikaans, een lokale, door allerlei etnische invloeden gekleurde variëteit van het Afrikaans, en tot voor kort was het in geen enkel standaardwoordenboek te vinden. Maar het Woordeboek van die Afrikaanse Taal (WAT) dat dit jaar zijn honderdjarig bestaan viert, kent het woord inmiddels wel. Want dat woordenboek is de laatste jaren ingrijpend van karakter veranderd.
Het Gariepafrikaans wordt gesproken door twee groepen mensen in zuidelijk Afrika: de Griekwa en Namakwalanders. Beide zijn in de loop ontstaan doordat de oorspronkelijke inwoners van de Noord-Kaap – de Khoikhoi – zich mengden met de Europese kolonisten en met Aziaten.. De Griekwa – soms gespeld als Griqua – zijn een Zuid-Afrikaans volk van gemengde Khoikhoi, Europese en Aziatische afkomst, dat in de achttiende eeuw als herkenbare groep ontstond rond de Kaapkolonie en later eigen staatjes stichtte in de Noord-Kaap. De Namakwalanders zijn de bewoners van Namaqualand, het droge kustgebied dat zich uitstrekt van de Noord-Kaap tot in Namibië, overwegend van Khoikhoi-afkomst. Beide groepen spreken van oudsher een eigen vorm van Afrikaans, doorspekt met Khoi-woorden. Samen worden ze Gariepafrikaans genoemd, naar de Garieprivier die door het gebied stroomt.
Het Gariepafrikaans werd lang niet serieus genomen: een verbastering, gesproken door mensen die het ‘echte Afrikaans’ niet goed onder de knie hadden. Inmiddels zien veel taalkundigen in Zuid-Afrika in wat een rijkdom zulke variëteiten bieden; bijvoorbeeld omdat ze ons iets vertellen over de geschiedenis van het fascinerende gebied.
Dwaalbos
Jana Luther, redacteur bij het WAT, beschrijft die verandering in haar nieuwe boek En nog WAT: Uit die woordeskat van Afrikaans. Luther schrijft sinds 2018 de column ‘Woordewisseling’ voor verschillende Afrikaanse media, en voor dit jubileumboek koos ze honderd van die columns – over visserstaal en diamantjargon, over regenwoorden en insectennamen, over de woordenschat van woede en van kou.
Het resultaat is een bundel om lang in te vermeien omdat hij toont hoe breed het Afrikaans is, breder dan officiële bronnen als het WAT decennialang erkenden. Het woordenboek documenteerde in eerste instantie de taal van de universiteit, de kerk en de krant. De taal ook van een specifieke bevolkingsgroep met, laten we zeggen, een specifieke huidskleur. De talen van anderen, het Kaaps van de Kaapse Vlakte of het Gariepafrikaans hadden geen plaats in het officiële naslagwerk.
Een paar jaar geleden is dat gekeerd. Luthers mederedacteur Gerda Odendaal probeert nu bijvorbeeld om het Kaaps-Afrikaans, een taalvorm die de bonte etnische samenstellig van Kaapstad, in taal weerspiegelt, systematisch in het WAT op te nemen. Er lopen vergelijkbare initiatieven voor het Gariepafrikaans. Het gaat daarbij niet om een paar kleurrijke woordjes als curiositeit, maar om een nieuwe definitie van wat het woordenboek in diepste wezen beschrijft, van wat het Afrikaans eigenlijk is.
Neem dwaalbos. Iedereen in Zuid-Afrika kent dagga voor cannabis, een woord dat overigens ook al via het Khoi in het Afrikaans is gekomen. Maar in het Griekwa-Afrikaans bestaat daarnaast dwaalbos, letterlijk de dwaalstruik, de struik die je laat dwalen, en dat woord opent een heel andere wereld. Bij de Griekwa hoorde het roken van dagga bij een orale traditie: rokers zaten geknield rond een grondpyp, een holte in de klamme aarde met een fluitjesriet als mondstuk, en droegen onder invloed van de rook zogeheten daggarympies voor – onsamenhangende, half-zingende verzen. De wereld zag er anders uit door een daggabril. Het woord dwaalbos vat die ervaring samen op een manier die het neutrale dagga niet doet.
Schatbewaarder
Afrikaans is een versamelnaam, schreef de taalkundige Johan Combrink ooit. De taal omvat veel meer dan het taalgebruik van welke individuele spreker dan ook. Nu geldt dat natuurlijk voor iedere taal, maar door de ingewikkelde geschiedenis geldt dat voor het Afrikaans misschien wel meer dan voor bijvoorbeeld het Nederlands. In verschillende streken worden dezelfde woorden op verschillende manieren gezegd en uitgesproken, en voor hetzelfde begrip bestaan soms tientallen varianten. Luthers columns laten dat op elke pagina zien, van de vijftien namen voor een Turkse vijg tot de tientallen woorden voor regen.
Een woordenboek is nooit neutraal. De keuze om een woord wel of niet op te nemen is altijd óók een uitspraak over wie ertoe doet. Een woordenboek dat alleen het Standaardafrikaans documenteert, zegt impliciet: dit is de echte taal, de rest is de moeite niet waard.. Dat het WAT het oorspronkelijke idee dat er één vorm van ‘correct’ Aafrikans bestaat, is natuurlijk volkomen terecht. De meerderheid van de sprekers van het Afrikaans is van oudsher helemaal niet wit. Het Bureau van het WAT is gevestigd in Stellenbosch, de historische bakermat van het Afrikaner-nationalisme, maar verandert gaandeweg van een bewaker van de standaardtaal naar een schatbewaarder van de volle rijkdom van de taal.
Trainingen
Het Afrikaans is sinds 1925 officiële taal van Zuid-Afrika; het WAT bestaat dus bijna even lang als die officiële status. In die honderd jaar is het woordenboek onlosmakelijk verbonden geweest met de taalpolitiek van het land. Lange tijd was het een instrument van de apartheid, nu moet de instelling zich heruitvinden in het nieuwe Zuid-Afrika met maar liefst elf officiële talen, waaronder het Engels, maar ook het Zoeloe, het Xhosa, het Sesotho, en het Tswana.
Dat heruitvinden heeft een concrete vorm gekregen. Het WAT maakt tegenwoordig deel uit van de Pan-Suid-Afrikaanse Taalraad, PanSAT, een overkoepelend orgaan dat elf nationale woordenboekeenheden huisvest — voor elk van de officiële talen één. Het WAT, met zijn honderd jaar ervaring, biedt trainingen aan de andere taaleenheden aan. De taal die zo lang het instrument van uitsluiting was, levert nu de lexicografische kennis voor de talen die door diezelfde uitsluiting aan de kant stonden.
Doorbraak
Het WAT heeft honderd jaar lang de woordenschat van het Afrikaans beschreven. Inmiddels hebben de woordenboekkamers heel nieuwe ruimtes in de schatkamer ontsloten.
Bijvoorbeeld om de Afrikaanse regen te beschrijven. Luther wijdt een heel hoofdstuk aan regenwoorden. Een komloertjie heet elders in Zuid-Afrika ook wel een natmakertjie. Verder heb je onder veel meer nog de sabbie, de sibbie, dkiesa, de kwietsja, de hongerreën, en de konsertinareën – dat laatste woord voor buien die in korte vlagen vallen terwijl de lucht tussendoor optrekt, als de balgen van een concertina. Onder andere vanwege die doorbraak is Luthers boek ook voor Nederlandstaligen de moeite meer dan waard.
Jana Luther. En nog WAT: Uit die woordeskat van Afrikaans. Bureau van die WAT, 2026. Bestelinformatie
Laat een reactie achter