
Wanneer activisten, overheden en universiteiten proberen de taal te veranderen in naam van de gelijkheid, doen ze iets wat taalkundigen zelden meemaken en misschien wel als onmogelijk beschouwen: ze proberen van bovenaf een verandering op te leggen, terwijl de aanname van een een heleboel taalwetenschap is datl taal van nature van onderaf evolueert, iets dat weliswaar de hele tijd verandert, maar dat wij niet kunnen veranderen.
Als zodanig vind ik alle pogingen wereldwijd om tot genderneutrale taal te komen enorm interessant, ook al ze zoveel weerstand oproepen. Ik hupte dan ook verheugd op uit mijn stoeltje bij het onderzoek van Benjamin Storme en collega’s in het Journal of Sociolinguistics. De onderzoekers lieten vierhonderd proefpersonen korte teksten lezen in het Frans of Duits, waarin varianten van genderinclusief taalgebruik waren verwerk. Beide talen hebben verschillende manieren om aan te geven dat je over zowel mensen van alle genders schrijft (ook al zo intrigerend is dat die discussie in het Nederlands niet of nauwelijks bestaat): het puntje (étudiant·e·s), en de haakjes (étudiant(e)s) in het Frans; de asterisk (Student*innen) of de hoofdletter midden in het woord (StudentInnen). Al die woorden betekenen dus ‘studenten, of ze nu mannen, vrouwen, of van een ander gender zijn’.
Kunstmatige kleding
De onderzoekers vroegen hun proefpersonen wat voor iemand de schrijver volgens hen was. Wie genderinclusieve vormen gebruikt, bleek te worden gezien als jonger, linkser, en waarschijnlijker behorend tot een genderminderheid. Het gebruik van een mannelijke vorm om deze betekenis uit te drukken – étudiants of Studenten zonder extra typografische middelen – werd als politiek neutraal ervaren.
De point médian (étudiant·e·s) of het Gender-Sternchen (Student*innen) zijn, vanuit taalkundig oogpunt, kunstgrepen die je gerust onnatuurlijk mag noemen. Terwijl we er meestal vanuit gaan dat gesproken taal het primaat heeft, is niet meteen duidelijk hoe je deze schrijftaalvormen eigenlijk uit zou moeten spreken. Spontaan zouden deze veranderingen dus nooit ontstaan. In het Duits is de hoofdletter midden in een woord (StudentInnen) nogal opmerkelijk – hoofdletters staan alleen aan het begin van een woord –; in het Frans vereist de middelpunt letterlijk een typografisch teken (·) dat de doorsnee toetsenbordgebruiker niet eens moeiteloos kan invoeren. Dit kun je echt geen organische ontwikkelingen noemen. Ze dragen hun kunstmatige kleding met ere.
Ingrepen
De vraag of zulke ingrepen kunnen werken, is voor mij als ik eerlijk ben bijna een persoonlijke obsessie: waar ligt de grens tussen natuurlijke taal en door mensen ontworpen taal. Er zijn niet veel taalkundigen die geïnteresseerd zijn door fenomenen als het Esperanto , maar ik ben er een. Mijn collega’s zien dat over het algemeen als een treffend voorbeeld van mijn gebrek aan sérieux, want taalkundigen zien zichzelf meeste liefst als een soort natuurwetenschappers, beschrijvers van wat spontaan is groeit en bloeit, niet van wat bedacht is. Ik vind die spanning tussen wat een taal is en wat mensen er van willen maken juist aantrekkelijk.
Storme en zijn medeauteurs laten zien dat de politieke lading van genderinclusief taalgebruik varieert naargelang de gekozen strategie. De middelpunt in het Frans wordt als radicaler gezien dan de haakjesvorm (étudiant(e)s); in het Duits zijn de Binnen-I en de asterisk wat politieke connotatie betreft juist opvallend gelijkwaardig.
Of een taalverandering slaagt, hangt niet alleen af van haar interne logica maar vooral ook van de sociale krachten erachter. Er is het fameuze taalkundige dictum dat een taal een dialect is met een leger en een vloot. Ik ben geneigd te denken dat een taalverandering ook een metaforisch leger nodig heeft, of in elk geval institutionele macht, bestuurlijke wil, en/of sociaal prestige. Dit nieuwe onderzoek laat zien hoe ideologische voorkeuren bepalen wat mensen als aanvaardbaar of misschien zelfs als onnatuurlijk beschouwen.
De vraag blijft dus open: beklijven kunstmatige ingrepen in een levende taal? Het experiment loopt nog.
Voor wat betreft het geval StudentInnen of Student*innen: inmiddels wordt in Duitsland in plaats van die vormen nu ‚Studierende‘ gebruikt.
Ja, da’s inderdaad een mogelijkheid; woorden gebruiken die geen geslacht uitdrukken. Ik heb zelf daarom vaak enkelvoudige vormen vertaald met meervoudige, omdat “zij” (mv) geen geslacht uitdrukt.
Wat de midden-hoofdletter betreft: het is niet zo ongewoon als het lijkt, want het was in de jaren 80 een veelgebruikt marketinginstrument, bv. MicroSoft, InterNet etc. Maar het was inderdaad geen normale spelling. Dat het al eens een tijd werd gebruikt, kan het aanvaardbaarder maken.
Dat die hoge middelpunt in het Frans als radicaler wordt gezien dan de haakjesvorm (étudiant(e)s) hoeft niet te verbazen. Het vereist nu eenmaal een radicaler schrijfgedrag. Je kunt je best voorstellen dat alleen iemand die erg geëngageerd is die “hogere middelpunt” gebruikt. Ik zou niet eens weten hoe ik het uit mijn toetsenbord krijg.
Overigens is het idee dat taalverandering altijd “natuurlijk” moet groeien van “onderaf” een misvatting. Er worden tamelijk veel veranderingen van bovenaf opgelegd. Ik weet dat onlangs een artikel verscheen over waarom hen/hun er zo moeilijk ingaat (was het in Neerlandia?) terwijl andere regels juist wel goed werken, maar ik merk vaak dat er taalregels zijn die van bovenaf werden opgeleg die ook ingang vonden. De verklaring voor het succes wordt vaak louter taalkundig onderzocht, maar ik denk dat er ook nog andere factoren spelen.
Een bijdrage uit Spanje over kunstmatige ingrepen in de taal om gelijkheid te bevorderen. Ook daar is het inclusief taalgebruik een niet aflatende (voor taalkundigen) bron van vermaak. Het gebruik van doublets (los españoles y las españolas) is inmiddels behoorlijk ingeburgerd.
In hun openbare uitingen zijn (heel en beetje) linkse politici doorgaans zeer consequent in het dupliceren van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden die naar personen verwijzen. Verbazingwekkend omdat het extra concentratie vergt. Alles om vrouwen ‘zichtbaar te maken’.
Maar het gebeurt wel selectief. In woorden met een negatieve lading worden vrouwen meestal niet zichtbaar gemaakt. De taalcolumnist Álex Grijelmo van El País signaleerde onlangs voorbeelden van een Madrileense politica die het heel consequent heeft over ‘los madrileños y las madrileñas’ en ‘los trabajadores y las trabajadoras’ (arbeiders) etc. maar de doublets nalaat bij woorden als ‘los ricos’ (rijken), ‘los banqueros’ (bankiers) en ‘los privilegiados’ (geprivilegieerden). Alsof er geen rijke en geprivilegieerde vrouwen of vrouwelijke bankiers zouden bestaan.
https://elpais.com/babelia/2026-03-04/cuando-la-politica-irrumpe-en-la-gramatica.html